Loonbetaling aan werknemer onder bewind

Een werkgever betaalt het salaris rechtstreeks aan een werknemer. Achteraf blijkt dat de werknemer onder bewind stond en de betaling aan de bewindvoerder had moeten plaatsvinden.

Bewind en loonbetaling

Een vof exploiteert kermisattracties en heeft een werknemer in dienst. De werknemer staat sinds 2 juni 2022 onder bewind. De werknemer werkt van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024 voor de vof. De vof betaalt het salaris van € 3.810,64 bruto, inclusief 8% vakantietoeslag, rechtstreeks aan de werknemer. Op 11 februari 2026 sommeert de bewindvoerder de vof om het bedrag alsnog aan haar te betalen, maar de vof betaalt niet.

Niet-bevrijdende betaling

De bewindvoerder stelt dat de vof het loon aan de verkeerde persoon heeft betaald, waardoor de betaling niet bevrijdend is. De vof verweert zich met de stelling dat zij niet wist dat de werknemer onder bewind stond en dat de werknemer zelf de bankgegevens heeft opgegeven. Het beheer over de onder bewind staande goederen komt niet aan de werknemer maar aan de bewindvoerder toe. De werknemer was niet bevoegd de betaling in ontvangst te nemen.

Openbare registers 

De rechtbank oordeelt dat de betaling aan de werknemer niet bevrijdend is. De vof had kunnen weten dat de werknemer onder bewind stond, omdat het bewind is ingeschreven in de openbare registers. De vof blijft daarom verplicht het loon te betalen. De rechtbank wijst de vordering toe voor het netto-equivalent van € 3.810,64 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026. De gevorderde wettelijke verhoging van 50% wordt afgewezen, omdat het loon wel tijdig aan de werknemer is betaald, zij het niet bevrijdend.

Bron: Rechtbank Limburg | jurisprudentie | ECLI:NL:RBLIM:2026:7667 | 28-07-2026

Black box bedrijfsauto is geen prikklok

Een muskusrattenvanger, sinds 1994 in dienst, staat onder toezicht vanwege lage productie en veel administratietijd. Wanneer signalen binnenkomen dat zijn dienstauto tijdens werktijd vaak bij zijn woning staat, start de werkgever een onderzoek. Black box-gegevens van de auto worden over ruim een half jaar vergeleken met de urenregistratie. Dit toont een verschil van 94 uur en 11 minuten. De werkgever concludeert 'dagdieverij' en ontslaat de werknemer op staande voet wegens urenfraude.

Op staande voet

Het hof rekent op meerdere punten af met de aanpak van de werkgever. Het ontslag is niet 'onverwijld' gegeven, omdat de werkgever maandenlang heeft getreuzeld met het uitlezen van de black box-gegevens. De black box is bovendien een verkeerd instrument. Het instrument is bedoeld voor controle van autogebruik, niet als digitale prikklok. De werkgever had de werknemer eerst moeten bevragen. Veel verwijten in de ontslagbrief betreffen disfunctioneren, waarvoor een verbetertraject passender is. Ook is geen bewuste fraude aangetoond. Het urenverschil alleen is onvoldoende, mede gezien persoonlijke en medische omstandigheden en moeite met de digitale registratie.

Fraude?

Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst strandt. Fraude is onvoldoende vastgesteld. Een gestelde verstoorde arbeidsverhouding met een oud-teamleider is achterhaald. De oud-teamleider is inmiddels met pensioen. Het hof ziet vooral een onvoldragen d-grond (disfunctioneren) en merkt op dat de werknemer, na een verbetertraject, weer naar behoren functioneert. Hij heeft het plezier in zijn werk teruggevonden en realiseert zich dat hij dit tot zijn pensioen wil blijven doen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4034 | 17-06-2026

Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief aangenomen

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief aangenomen. Dit wetsvoorstel wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek door het invoeren van een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief. Deze maatregel heeft als doel laagbetaalde zzp’ers, die vaak kwetsbare werkenden zijn, beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid.

Drempel en doel

Het rechtsvermoeden geldt voor zzp’ers die minder dan € 38 per uur (peildatum 1 januari 2026) verdienen. De introductie van dit vermoeden maakt het voor deze zzp’ers eenvoudiger om hun rechtspositie als werknemer op te eisen bij de werkgevende en, indien nodig, bij de rechter.

Gevolgen voor opdrachtgevers

Wanneer zzp’ers een beroep doen op dit rechtsvermoeden, moeten de opdrachtgevers aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als opdrachtgevers dit niet kunnen bewijzen, is er sprake van schijnzelfstandigheid. In dat geval heeft de zzp’er recht op de bescherming die hoort bij iemand in loondienst, zoals recht op loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.

Bron: Overig | wetsvoorstel | 36.783 | 15-06-2026