Geen aftrek voor fiscale eenheid omdat onderneming deelneming al was beëindigd bij voeging

Een bv houdt een deelneming in een op Isle of Man gevestigde Ltd die een jacht verhuurt. De Ltd wordt geliquideerd en de moedermaatschappij van de fiscale eenheid wil ruim € 6 miljoen liquidatieverlies in aftrek brengen. De inspecteur weigert de aftrek. De onderneming van de Ltd was volgens hem al gestaakt toen de bv in de fiscale eenheid werd gevoegd. Het liquidatieverlies kan dan alleen worden afgezet tegen de winst van die bv zelf. 

Van luxejacht naar liquidatie

De Ltd exploiteert sinds 2005 een jacht. De activiteiten bestaan uit verhuur aan gelieerde partijen en derden. De Ltd is vanaf de oprichting structureel verlieslatend. Een Nederlandse bv verstrekt leningen aan de Ltd om de verliezen te compenseren en zet deze in 2013 om in kapitaal. In 2017 wordt het jacht nog slechts verhuurd aan de aandeelhouder en een gelieerde partij. Vanaf augustus 2017 tot april 2018 vindt geen verhuur plaats. Per 1 april 2018 wordt de bv gevoegd in een fiscale eenheid. In december 2018 wordt het jacht verkocht aan de aandeelhouder. De Ltd wordt op 4 november 2019 ontbonden zonder liquidatie-uitkering.

Zes miljoen aftrek of nul?

De moedermaatschappij van de fiscale eenheid claimt een liquidatieverlies van ruim € 6 miljoen en wil dit verrekenen met de winst van de gehele fiscale eenheid. De inspecteur stelt dat het liquidatieverlies slechts in aftrek kan komen voor zover de winst is toe te rekenen aan de bv die de deelneming hield. De onderneming van de deelneming is geheel of nagenoeg geheel gestaakt op het moment van voeging in de fiscale eenheid. 

Geen verhuur, geen onderneming

De rechtbank oordeelt dat het aan de moedermaatschappij is om te bewijzen dat de onderneming van de Ltd nog niet geheel of nagenoeg geheel was gestaakt op het voegingstijdstip. De moedermaatschappij betoogt dat de omzet niet tot minder dan 10% is teruggelopen en stelt inspanningen te hebben verricht om het jacht te verhuren, maar levert daarvoor geen bewijs. Het liquidatieverlies kan daarom alleen in aftrek komen voor zover de winst aan de bv is toe te rekenen. Die bv behaalde in 2019 echter een negatief resultaat, zodat het liquidatieverlies niet in aftrek komt.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:277 | 21-01-2026

Bezitseis BOR geldt per aandelenpakket afzonderlijk

Een echtpaar houdt sinds 1986 respectievelijk 51% en 49% van de aandelen in een holding. Tussen hen bestaat geen gemeenschap van goederen. Na het overlijden van de man in 2016 verkrijgt de vrouw zijn 51%-pakket. Vanaf dat moment houdt zij 100% van de aandelen. In 2020 volgt een juridische splitsing, waarbij een deel van het vermogen wordt afgesplitst naar een nieuw opgerichte bv. De vrouw schenkt op dezelfde dag alle aandelen in deze nieuwe bv aan haar dochter. 

BOR

De dochter doet een beroep op de BOR voor het volledige aandelenpakket. De inspecteur wijst dit gedeeltelijk af. Hij past de BOR slechts toe op 49% van de aandelen, omdat moeder de overige 51% nog geen vijf jaar in bezit had op het moment van de schenking. De dochter stelt dat de wet niet vereist dat het gehele geschonken pakket vijf jaar in bezit moet zijn geweest. Daarnaast beroept zij zich op het doel en de strekking van de BOR: moeder verkreeg de 51% immers krachtens erfrecht van vader, die de aandelen zelf decennialang hield.

Bezitseis

Het hof oordeelt dat de tekst van de wet duidelijk is. Deze vereist dat de schenker de geschonken aandelen gedurende vijf jaar voorafgaand aan de schenking onafgebroken in bezit heeft gehad. Moeder voldoet aan deze eis voor het 49%-pakket dat zij sinds 1986 houdt, maar niet voor de 51% die zij pas in 2017 verkreeg. De BOR is daarom slechts van toepassing op 49% van de schenking. Het hof komt niet toe aan een uitleg naar het doel en de strekking van de BOR, omdat de wettekst geen ruimte voor twijfel laat. De Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting voorziet weliswaar in uitzonderingen op de bezitseis, maar niet in een situatie als deze waarin de schenker binnen vijf jaar vóór de schenking aandelen krachtens erfrecht verkrijgt.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:114 | 24-02-2026

Collectieve uitspraak massaal bezwaar belastingrente

Onlangs heeft de inspecteur van de Belastingdienst collectief uitspraak gedaan op de bezwaren die vallen onder de massaal bezwaarprocedures tegen de hoogte van het belastingrentepercentage. De collectieve uitspraken volgen op de Kamerbrief van 13 februari 2026, waarin is aangekondigd dat de inspecteur deze beslissing zou nemen.

Inkomstenbelasting en andere belastingen

De inspecteur heeft de bezwaren tegen de hoogte van het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting en andere belastingen afgewezen. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 16 januari 2026 aangegeven dat het algemene rentepercentage mag worden toegepast voor de inkomstenbelasting en andere belastingmiddelen. Hiermee is het standpunt van de Belastingdienst bevestigd. Bezwaarmakers ontvangen geen individuele uitspraak. Personen die uitstel van betaling hebben gekregen in verband met het bezwaar, ontvangen een brief waarin staat dat dit uitstel afloopt. Tegen deze collectieve uitspraak is geen beroep mogelijk.

Vennootschapsbelasting

De inspecteur wijst alle bezwaren toe die onder de massaal bezwaarprocedure vallen. De Belastingdienst stuurt binnen zes maanden na de collectieve uitspraak een vermindering met een aangepast bedrag aan belastingrente. Bezwaarmakers ontvangen geen individuele reactie.

Nog geen bezwaar gemaakt?
Wanneer een aanslag vennootschapsbelasting is ontvangen met een onjuist, te hoog belastingrentepercentage, kan dit aanleiding zijn om bezwaar te maken. Of dat nog mogelijk of nodig is, hangt af van de datum die op de aanslag staat. Hieronder staat per periode wat de situatie betekent voor de aanslag en welke stappen eventueel nodig zijn.

17 januari 2026 t/m 7 februari 2026
Voor aanslagen binnen deze periode kan de Belastingdienst een verkeerd belastingrentepercentage hebben toegepast. Als dat zo is, wordt dit automatisch hersteld. Er is geen actie nodig. De Belastingdienst stuurt hierover een apart bericht.

5 december 2025 t/m 16 januari 2026
In deze periode kan een onjuist belastingrentepercentage zijn gebruikt. Wanneer vermindering van de belastingrente gewenst is, moet bezwaar worden ingediend binnen de wettelijke bezwaartermijn. Als die termijn inmiddels is verstreken, kan een verzoek om vermindering worden gedaan.

4 december 2025 of eerder
Voor aanslagen met deze datum is het niet meer mogelijk om het gehanteerde belastingrentepercentage aan te passen. Bezwaar of een verzoek om vermindering heeft in deze gevallen geen effect op het belastingrentepercentage.

Bron: Belastingdienst | persbericht | 24-02-2026