Kosten eHerkenning geen excuus

Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021.

Kosten eHerkenning niet onevenredig

Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond.

Verzuimboete verminderd

De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500.

Overschrijding redelijke termijn

De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2478 | 01-04-2026

Oude verliezen verrekenen na uitbreiding fiscale eenheid: meer ruimte dan gedacht

Een fiscale eenheid groeit in de loop der jaren flink. Na uitbreiding met een winstgevende vennootschap wil de moedermaatschappij oude verliezen verrekenen. De Belastingdienst weigert dat. Volgens de inspecteur moet je eerst kijken naar het resultaat van de oorspronkelijke groep vennootschappen. Die groep maakt als geheel verlies, dus is er geen ruimte voor verliesverrekening. De rechter is het daar niet mee eens.

Van verlies naar winst

De moedermaatschappij vormt sinds 2015 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Die fiscale eenheid wordt in de loop der jaren meermalen uitgebreid. In 2016 komt er een andere bestaande fiscale eenheid bij. In 2017 lijdt de gecombineerde groep een fors verlies van ruim € 550 miljoen. In 2019 voegt de moedermaatschappij opnieuw vennootschappen toe aan de fiscale eenheid. Een van de vennootschappen blijkt bijzonder winstgevend. In 2020 maakt de hele fiscale eenheid een winst van € 202 miljoen. Die winst komt vrijwel volledig van de in 2019 toegevoegde vennootschap.

Oude verliezen verrekenen

De moedermaatschappij wil het verlies uit 2017 verrekenen met de winst van 2020. Dat kan alleen met winst die toerekenbaar is aan de vennootschappen die in 2017 al tot de fiscale eenheid behoorden. De moedermaatschappij maakt zelf in 2020 echter verlies. De andere vennootschappen uit 2017 maken samen wel winst. De moedermaatschappij brengt haar eigen verlies in mindering op de winst van de in 2019 gevoegde vennootschap. Zo blijft de winst van de andere vennootschappen uit 2017 beschikbaar voor verrekening met het verlies uit 2017. De inspecteur accepteert deze werkwijze niet.

Inspecteur hanteert clusterbenadering

De inspecteur past de zogenoemde clusterbenadering toe. Die benadering houdt in dat je alle vennootschappen die in 2017 tot de fiscale eenheid behoorden, als één geheel beziet. Dat cluster maakt in 2020 per saldo verlies. Er is dus geen winst beschikbaar om het verlies uit 2017 mee te verrekenen. De inspecteur baseert zich op een beleidsbesluit uit 2024. De moedermaatschappij gaat in beroep.

Rechtbank: geen dwingend voorschrift

De rechtbank volgt de inspecteur niet. Het Besluit Fiscale Eenheid schrijft de clusterbenadering niet dwingend voor. Het woord 'ook' laat ruimte voor een andere benadering. De toelichting beperkt de clusterbenadering tot de vraag of sprake is van voorvoegingsverliezen. Zij strekt zich niet uit tot de bepaling van de voor verrekening vatbare winst in het jaar van verrekening. Een voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis ondersteunt die uitleg.

Doel horizontale verliesverrekening

Het doel van horizontale verliesverrekening is te voorkomen dat meer verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt. De benadering van de moedermaatschappij voldoet aan die eis. Zij verrekent niet meer dan de winst van de fiscale eenheid. Van ongeoorloofde kruislingse verliesverrekening is geen sprake. Het beleidsbesluit uit 2024 dateert van na het belastingjaar 2020 en kan de inspecteur niet helpen.

Forse verlaging belastbaar bedrag

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het belastbaar bedrag daalt van € 197 miljoen naar € 59,5 miljoen. De verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld op € 142 miljoen in plaats van € 4,5 miljoen. De inspecteur kan nog in hoger beroep.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:3196 | 24-03-2026

Kwijtscheldingswinstvrijstelling vervalt door herinvesteringsreserve

Een bv verkoopt in 2018 een schip met winst en vormt een herinvesteringsreserve. In 2019 scheldt de bank een deel van de schulden kwijt. De bv claimt de kwijtscheldingswinstvrijstelling, maar de rechtbank steekt daar een stokje voor. De herinvesteringsreserve zorgt ervoor dat te veel verrekenbare verliezen resteren.

Twee schepen verkocht

Een moedermaatschappij staat aan het hoofd van een fiscale eenheid. Via een vennootschap onder firma (vof) bezit zij de helft van een vrachtschip. In 2018 wordt dat schip verkocht met een boekwinst van ruim € 724.000. Die winst doteert zij aan de herinvesteringsreserve. In 2019 wordt de vof ontbonden. De bank verleent finale kwijting voor de resterende schulden. Het kwijtgescholden deel dat de moedermaatschappij aangaat, bedraagt bijna vier ton.

Herinvestering via de fiscale eenheid

De vervangende investeringen worden niet door de moedermaatschappij zelf gedaan, maar door twee dochtervennootschappen binnen de fiscale eenheid, die in 2019 nieuwe schepen aanschaffen. De moedermaatschappij boekt de herinvesteringsreserve af op deze investeringen.

Vrijstelling geclaimd

In de aangifte 2019 past de moedermaatschappij de kwijtscheldingswinstvrijstelling toe voor het volledige bedrag van bijna vier ton. Die vrijstelling geldt voor zover de kwijtscheldingswinst de verrekenbare verliezen overstijgt. De gedachte: als er geen verliezen meer zijn om te verrekenen, hoeft de kwijtscheldingswinst niet belast te worden.

Probleem: de fiscale eenheid

Bij een fiscale eenheid gelden speciale regels. De vrijstelling geldt alleen voor zover de bv er ook recht op zou hebben gehad als zij zelfstandig was gebleven. De moedermaatschappij betoogt dat zij dan geen herinvesteringsreserve had kunnen vormen. De vervangende investeringen deden immers de dochters, niet zijzelf. Zonder die reserve zou haar winst in 2018 ruim € 830.000 zijn geweest en zouden alle eerdere verliezen zijn verrekend. In dat geval resteert geen verlies en is de vrijstelling volledig van toepassing.

Rechtbank: herinvesteringsreserve telt mee

De rechtbank volgt dit betoog niet. Bij de zelfstandige winstberekening moet de herinvesteringsreserve worden meegenomen bij de vennootschap die de boekwinst behaald heeft. Dat is nu eenmaal de moedermaatschappij. Zonder boekwinst valt niets te doteren, dus de reserve kan niet bij een andere vennootschap worden gevormd. Bovendien bestond een van de dochters in 2018 nog niet. Toerekening aan haar is dus ondenkbaar. Met de herinvesteringsreserve bedraagt de zelfstandige winst 2018 slechts € 107.000, met als gevolg dat ruim € 727.000 resteert aan verrekenbare verliezen. Die verliezen overstijgen de kwijtscheldingswinst. De vrijstelling vervalt.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:3556 | 09-02-2026