Wie een vordering afwaardeert, moet eerst bewijzen dat die bestaat

Een afwaardering van een vordering begint niet bij de vraag of de lening zakelijk is, maar bij het dossier waaruit blijkt dat de lening bestaat. Een leningsovereenkomst, een corresponderende schuld bij de debiteur en een consequente vermelding in beide aangiften zijn geen formaliteiten, maar het bewijs zelf.

Een lening uit 2006

Een vennootschap bestaat sinds 1996 en heeft één aandeelhouder. Die aandeelhouder houdt daarnaast 50% van de aandelen in de latere debiteur, die in 2006 een voormalige slipbaan koopt. Voor die aankoop verstrekt de vennootschap naar eigen zeggen een lening. Haar jaarrekening 2017 toont per eind 2016 een vordering van € 95.397, die met bijgeschreven rente van 5% oploopt tot € 147.544. Een jaar later is die post verdwenen en loopt € 142.504 als buitengewone last door de winst-en-verliesrekening. De debiteur wordt in maart 2018 ontbonden.

Bewijslast bij de inspecteur

De inspecteur laat de last niet in aftrek toe. Hij stelt het verlies bij beschikking vast op € 116.485. Volgens hem is de vordering een onzakelijke lening, want geen derde zou dit debiteurenrisico aanvaarden. De rechtbank legt de bewijslast daarvoor bij de inspecteur en oordeelt dat de inspecteur daar niet in slaagt. Het verlies gaat conform de aangifte naar € 258.989. In hoger beroep stelt de inspecteur primair dat er geen vordering is. Dat keert de bewijspositie om.

Nergens een spoor

Wie een last opvoert, moet die zelf aannemelijk maken. De jaarrekening 2017 van de debiteur vermeldt geen corresponderende schuld. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2010 tot en met 2014 noemt geen van beide vennootschappen de lening. Ook de jaarrekening 2007 van de belastingplichtige, het jaar na de gestelde lening, toont geen vordering op de debiteur, maar alleen een deelneming en enkele kortlopende vorderingen. Dat valt niet te rijmen met een lening uit 2006 voor de slipbaan. Verdere bewijsstukken ontbreken.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4498 | 06-07-2026

Slotkoers voorafgaande maand toegestaan bij waardering dividend in vreemde valuta

Een Nederlandse bv ontvangt dividend van haar Chinese dochtermaatschappij. Zij waardeert de dividendvordering in euro's tegen de slotkoers van de maand voorafgaand aan de transactie, zoals de concernrichtlijnen voorschrijven. De inspecteur vindt dat zij de dagkoers had moeten gebruiken en legt een navorderingsaanslag op. De correctie bedraagt ruim € 7,4 miljoen. Is het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming met goed koopmansgebruik?

Dividend uit China

De bv is de Nederlandse tak van een beursgenoteerd logistiek concern en houdt belangen in meer dan 200 dochtermaatschappijen wereldwijd. In augustus 2015 keert een Chinese dochter een dividend uit, van omgerekend ruim € 106 miljoen. De uitbetaling vindt pas in november plaats, omdat de goedkeuring van de Chinese fiscale autoriteiten voor een verlaagd tarief bronbelasting op zich laat wachten. De bv activeert de dividendvordering tegen de slotkoers van juli 2015 en waardeert de ontvangen betalingen tegen de slotkoers van oktober 2015. Dat levert een koersverlies op van bijna € 2,5 miljoen.

Inspecteur wil dagkoersen

De inspecteur is het niet eens met deze werkwijze. Hij stelt dat de bv de dagkoers van de transactie had moeten hanteren en komt dan niet uit op een verlies, maar op een koerswinst van bijna € 5 miljoen. De correctie van ruim € 7,4 miljoen leidt tot een navorderingsaanslag over 2015 en doorwerking naar 2016. De inspecteur betoogt dat het waarderingssysteem van de bv in strijd is met goed koopmansgebruik, met de deelnemingsvrijstelling en met het totaalwinstbeginsel. Bovendien zou de interne concernovereenkomst onzakelijk zijn.

Waarom de slotkoers?

De bv legt uit dat alle concernonderdelen gebonden zijn aan een interne bankovereenkomst en aan concernbrede boekhoudvoorschriften. Deze schrijven voor dat transacties in vreemde valuta worden gewaardeerd tegen de slotkoers van de voorafgaande maand. Het waarderingssysteem heeft valide bedrijfseconomische redenen: de valutarisico's worden geconcentreerd bij de inhouse bank van het hoofdkantoor. Bovendien sluiten de administraties van alle concernonderdelen op deze manier goed op elkaar aan. Dit vergemakkelijkt het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening. De bv past dit systeem al decennialang bestendig toe.

Goed koopmansgebruik

De rechtbank oordeelt dat het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Bedrijfseconomische inzichten en de civielrechtelijke werkelijkheid zijn leidend, zolang geen strijd ontstaat met een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift. Daarvan is hier geen sprake. De bv heeft immers niet meer dividend ontvangen dan het in haar aangifte verantwoorde bedrag, zodat geen strijd is met de deelnemingsvrijstelling of het totaalwinstbeginsel. Dat de koers van de Chinese yuan ten opzichte van de euro grillig is, doet daar niet aan af. Het systeem beantwoordt aan zowel het realiteitsbeginsel als het eenvoudsbeginsel. De inspecteur heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de bv zich door het systeem structureel winst laat ontgaan. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4173 | 14-04-2026

Crypto-investering op naam dga niet aftrekbaar bij bv

Een dga sluit een overeenkomst voor de aankoop van cryptotokens. De bv maakt het aankoopbedrag van € 250.000 over. De tokens blijken waardeloos. De bv wil het verlies ten laste van haar resultaat brengen. De inspecteur weigert de afwaardering. De overeenkomst staat immers op naam van de dga, niet op naam van de bv. 

Investering in cryptomining

In 2018 wordt de dga benaderd door een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten. Het bedrijf wil geld ophalen voor een cryptominingonderneming. De dga krijgt een brochure met mooie rendementsvooruitzichten. Hij sluit een overeenkomst voor de aankoop van ruim 422 miljoen tokens voor € 250.000. De tokens geven recht op een maandelijks aandeel in de opbrengst van de mining. De bv maakt het bedrag over. In de jaarrekening 2018 van de bv worden de tokens opgenomen onder financiële vaste activa.

Investering blijkt waardeloos

Het blijkt echter dat er niets gebeurt met het geld. De cryptomining komt nooit van de grond. In mei 2020 bevestigt een van de betrokkenen per e-mail dat het project is mislukt en de investering waardeloos is. Een onderzoeksbureau concludeert in opdracht van de dga dat voldoende grond bestaat voor aangifte wegens oplichting. In de aangifte vennootschapsbelasting 2019 brengt de bv de volledige € 250.000 in aftrek als afwaardering van de tokens.

Overeenkomst staat op naam dga

De inspecteur weigert de aftrek. De overeenkomst is immers door de dga in privé gesloten, niet door de bv. Ook het ontvangstbewijs voor de tokens staat op naam van de dga. Dat de bv het bedrag heeft overgemaakt, maakt dit niet anders. De betaling kwalificeert als verkapte winstuitdeling aan de dga. De inspecteur legt een aanslag op naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548 in plaats van de aangegeven € 3.306.548.

Hof volgt inspecteur

De curator van de inmiddels failliete bv gaat in beroep. Hij stelt dat de bv om zakelijke redenen in de tokens heeft geïnvesteerd, namelijk om handelstransacties in cryptovaluta te faciliteren. Het hof oordeelt dat de bewijslast bij de curator ligt. Uit de overeenkomst blijkt nergens dat de dga namens de bv handelde. De curator heeft ook geen e-mails of andere stukken uit 2018 overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. De inspecteur had hier al vóór het faillissement om gevraagd. Dat de stukken er niet meer zijn, komt voor rekening van de bv. Bovendien heeft de accountant zich onthouden van een oordeel over de jaarrekening. De afwaardering is terecht geweigerd.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1023 | 18-03-2026