Rechter mag altijd recente machtiging vragen, ook bij doorlopende volmacht

Een gemachtigde dient hoger beroep in met een twee jaar oude doorlopende volmacht. Het hof vraagt om een recente machtiging. De gemachtigde weigert dit en wordt vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter altijd om een recente machtiging mag vragen. Hij hoeft daarvoor geen aanwijzingen te hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee terug van een arrest uit 2013.

Doorlopende volmacht uit 2022

Een no-cure-no-pay-bureau dient hoger beroep in tegen een WOZ-beschikking voor 2022. Bij het hogerberoepschrift overlegt het bureau een machtiging van 28 februari 2022. Die machtiging is in algemene termen geformuleerd. De belanghebbende machtigt medewerkers van het bureau om hem te vertegenwoordigen in ‘alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(en)’. Het hof twijfelt of het bureau bevoegd is om de belanghebbende te vertegenwoordigen. Die twijfel baseert het hof op het tijdsverloop sinds de machtiging en op het algemene karakter ervan.

Verkeerde machtiging overgelegd

Het hof vraagt om een recente machtiging. Het bureau krijgt daartoe tweemaal de gelegenheid. Uiteindelijk stuurt het een machtiging van 18 maart 2024. Die is weliswaar recent, maar ziet op de WOZ-beschikking 2024, terwijl het geschil de WOZ-beschikking 2022 betreft. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het bureau gaat in cassatie.

Hoge Raad komt terug van eerder arrest

De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter eisen mag stellen aan de machtiging. Hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag ook vragen om een machtiging die dateert van ná de bestreden uitspraak of die specifiek ziet op de procedure bij zijn gerecht. Daarvoor is niet vereist dat de rechter aanwijzingen heeft dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee uitdrukkelijk terug van zijn arrest uit 2013.

Voorzichtigheid bij procesrechtelijke volmacht

De Hoge Raad motiveert zijn koerswijziging als volgt. De bepalingen over volmacht uit het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn buiten het vermogensrecht slechts van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Uit de parlementaire toelichting blijkt dat men met overeenkomstige toepassing op procesrechtelijke rechtshandelingen "uitermate voorzichtig" moet zijn. Dat rechtvaardigt dat de rechter strengere eisen stelt dan het BW voorschrijft.

Ook in bezwaar en cassatie

De Hoge Raad benadrukt dat deze regels gelden in bezwaar, beroep, hoger beroep én cassatie. Wie als gemachtigde optreedt, doet er goed aan te zorgen voor een actuele en specifieke machtiging. Een doorlopende volmacht van jaren geleden volstaat niet zonder meer.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:556 | 16-04-2026

Collectieve uitspraak massaal bezwaar belastingrente

Onlangs heeft de inspecteur van de Belastingdienst collectief uitspraak gedaan op de bezwaren die vallen onder de massaal bezwaarprocedures tegen de hoogte van het belastingrentepercentage. De collectieve uitspraken volgen op de Kamerbrief van 13 februari 2026, waarin is aangekondigd dat de inspecteur deze beslissing zou nemen.

Inkomstenbelasting en andere belastingen

De inspecteur heeft de bezwaren tegen de hoogte van het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting en andere belastingen afgewezen. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 16 januari 2026 aangegeven dat het algemene rentepercentage mag worden toegepast voor de inkomstenbelasting en andere belastingmiddelen. Hiermee is het standpunt van de Belastingdienst bevestigd. Bezwaarmakers ontvangen geen individuele uitspraak. Personen die uitstel van betaling hebben gekregen in verband met het bezwaar, ontvangen een brief waarin staat dat dit uitstel afloopt. Tegen deze collectieve uitspraak is geen beroep mogelijk.

Vennootschapsbelasting

De inspecteur wijst alle bezwaren toe die onder de massaal bezwaarprocedure vallen. De Belastingdienst stuurt binnen zes maanden na de collectieve uitspraak een vermindering met een aangepast bedrag aan belastingrente. Bezwaarmakers ontvangen geen individuele reactie.

Nog geen bezwaar gemaakt?
Wanneer een aanslag vennootschapsbelasting is ontvangen met een onjuist, te hoog belastingrentepercentage, kan dit aanleiding zijn om bezwaar te maken. Of dat nog mogelijk of nodig is, hangt af van de datum die op de aanslag staat. Hieronder staat per periode wat de situatie betekent voor de aanslag en welke stappen eventueel nodig zijn.

17 januari 2026 t/m 7 februari 2026
Voor aanslagen binnen deze periode kan de Belastingdienst een verkeerd belastingrentepercentage hebben toegepast. Als dat zo is, wordt dit automatisch hersteld. Er is geen actie nodig. De Belastingdienst stuurt hierover een apart bericht.

5 december 2025 t/m 16 januari 2026
In deze periode kan een onjuist belastingrentepercentage zijn gebruikt. Wanneer vermindering van de belastingrente gewenst is, moet bezwaar worden ingediend binnen de wettelijke bezwaartermijn. Als die termijn inmiddels is verstreken, kan een verzoek om vermindering worden gedaan.

4 december 2025 of eerder
Voor aanslagen met deze datum is het niet meer mogelijk om het gehanteerde belastingrentepercentage aan te passen. Bezwaar of een verzoek om vermindering heeft in deze gevallen geen effect op het belastingrentepercentage.

Bron: Belastingdienst | persbericht | 24-02-2026

Geen wettelijke termijn voor verliesbeschikking

Een bv die statutair gevestigd is op Curaçao, maakt deel uit van een complexe structuur met meerdere vennootschappen. De inspecteur stelt na een vestigingsplaatsonderzoek vast dat de bv in de jaren 2010 tot en met 2015 feitelijk in Nederland is gevestigd. De bv lijdt in deze jaren verliezen en verzoekt de inspecteur om deze verliezen bij beschikking vast te stellen.

De inspecteur wijst dit verzoek af, omdat de termijnen voor het vaststellen van een aanslag en navorderingsaanslag zijn verstreken. Tegen deze afwijzing maakt de bv bezwaar, maar de inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Volgens de bv is deze beslissing wel degelijk voor bezwaar vatbaar, omdat de wet bepaalt dat de inspecteur het verlies bij een voor bezwaar vatbare beschikking vaststelt.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het bezwaar van de bv ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verwijst naar de wet. De rechtbank benadrukt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een verliesbeschikking ook kan worden vastgesteld als er geen aanslag is opgelegd, of buiten de reguliere aanslagtermijn.

De wet stelt geen voorwaarden aan de vorm of de termijn van een verzoek tot verliesvaststelling. Dat de bv geen aangiften heeft ingediend of dat de aanslagtermijnen zijn verstreken, staat de vaststelling van een verliesbeschikking niet in de weg. Aangezien de inspecteur tijdens de zitting de hoogte van de verliezen niet meer betwist, stelt de rechtbank zelf de verliesbeschikkingen vast op de door de bv opgegeven bedragen.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2025:10896 | 11-12-2025