Stilzitten is geen prijsgeven

In 2006 verstrekt een vader via zijn bv een lening van € 90.000 aan zijn zoon. De zoon raakt in de loop der jaren in financiële problemen, wat uiteindelijk leidt tot zijn faillissement in 2015. De bv dient haar vordering in bij de curator en ontvangt in 2018 een bedrag van € 7.764 uit de boedel. De inspecteur stelt dat vanaf dat moment de resterende vordering door de bv is prijsgegeven en dat dit moet worden gezien als een winstuitdeling aan de vader.

De rechtbank bekijkt of er daadwerkelijk sprake is van een winstuitdeling. Hiervoor oordeelt de rechter dat allereerst vastgesteld moet worden of de vordering door de bv definitief is prijsgegeven. Uit de feiten blijkt dat de bv geen enkele actieve handeling heeft verricht om de vordering kwijt te schelden. Integendeel, de bv heeft de volledige vordering ingediend bij de curator en daarna geen verdere actie ondernomen richting de zoon. Het stilzitten van de bv kan niet gelijkgesteld worden aan een prijsgeving, noch juridisch, noch materieel.

Ook het omzetten van de vordering in een natuurlijke verbintenis via de slotuitdelingslijst is volgens de rechter geen bewijs van prijsgeving. De rechter concludeert daarom dat de vordering het vermogen van de bv niet definitief heeft verlaten. Zonder prijsgeving is er geen sprake van een vermogensverschuiving en dus ook niet van een uitdeling. Het beroep van de vader wordt gegrond verklaard en de belastingcorrectie door de inspecteur wordt vernietigd.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2025:5298 | 03-07-2025

Herstel stamrecht door verrekening met managementfee niet mogelijk

Een ondernemer die zijn stamrechtuitkering niet op tijd laat ingaan, kan dit niet herstellen door achteraf zijn managementvergoeding te verlagen. De rechtbank wijst de door hem voorgestelde constructie af, waarbij de managementvergoeding van zijn holding wordt verrekend met een stamrechtuitkering van zijn pensioenvennootschap. De navorderingsaanslagen over 2018 en 2019 blijven in stand.

Stamrecht gaat niet op tijd in

De 70-jarige eiser is aandeelhouder en bestuurder van twee vennootschappen: Holding BV en Pensioen BV. In 1997 brengt hij een stamrecht onder bij Pensioen BV. Gedurende 2018 en 2019 verricht hij werkzaamheden voor Holding BV en ontvangt daarvoor een managementvergoeding. Hij geeft alleen dit inkomen aan in zijn belastingaangifte. Het probleem ontstaat omdat het stamrecht in 2017 in had moeten gaan, het jaar waarin de ondernemer de AOW-leeftijd bereikt. Dit gebeurt echter niet, waardoor niet wordt voldaan aan de fiscale voorwaarden. De Belastingdienst ontdekt dit in 2021 en stelt eiser voor de keuze: ofwel een heffing ineens over de hele stamrechtaanspraak van € 414.778 plus € 82.955 revisierente in 2017, ofwel herstel door jaarlijkse navorderingen voor stamrechtuitkeringen van € 22.894 vanaf 2017.

Voorgestelde oplossing

Eiser kiest voor de tweede optie, maar stelt een eigen herstelmethode voor. Hij wil € 22.894 per jaar als te veel ontvangen managementvergoeding terugbetalen aan Holding BV. Holding BV zou dit bedrag vervolgens uitlenen aan Pensioen BV, waarna Pensioen BV het bedrag als stamrechtuitkering uitkeert aan eiser. Op deze manier blijft volgens hem het totale inkomen gelijk en ontstaat er geen extra belastingdruk. De Belastingdienst wijst dit voorstel af en legt navorderingsaanslagen op voor 2018 en 2019, waarbij het belastbaar inkomen wordt verhoogd met de stamrechtuitkeringen.

Rechtbank wijst constructie af

De rechtbank oordeelt dat de voorgestelde herstelmethode niet mogelijk is. Het voorstel vindt geen steun in de feiten, noch in de wet. Eiser wil met terugwerkende kracht de managementvergoeding verlagen, maar daar bestaat geen aanleiding voor, omdat niet is gebleken dat deze te hoog was. Cruciaal is dat de managementvergoeding van Holding BV losstaat van de stamrechtuitkering die eiser van Pensioen BV had moeten ontvangen. Het gaat om verschillende vennootschappen en verschillende titels van betaling. Rechten en plichten van verschillende rechtspersonen kunnen niet willekeurig worden uitgewisseld. De rechtbank benadrukt dat de Belastingdienst eiser al meerdere keren heeft uitgelegd dat optie 2 niet zonder navorderingen inkomstenbelasting kan.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2025:10858 | 18-06-2025

Rente op familiehypotheek te hoog

Een man en zijn echtgenote besluiten een woning te kopen, zonder dat zij een financieringsvoorbehoud maken. Omdat zij extra financiering nodig hebben voor de nieuwe woning, sluit de man samen met zijn echtgenote later in het jaar een leningsovereenkomst met zijn schoonvader. Het geleende bedrag zal worden gebruikt voor de aankoop en verbouwing van hun nieuw aangekochte woning. In de overeenkomst wordt een rente van 7,3% afgesproken. 

De man claimt in zijn belastingaangifte de rente en afsluitprovisie die hij op de lening heeft betaald. De Belastingdienst staat echter niet de volledige renteaftrek toe. In plaats daarvan beperkt de inspecteur de renteaftrek tot een veel lager percentage van 2,75, omdat de overeengekomen rente onzakelijk hoog zou zijn. Hiertegen gaat de man in (hoger) beroep.

Het hof oordeelt dat de inspecteur de renteaftrek terecht heeft beperkt. De man slaagt er niet in om voldoende aannemelijk te maken dat een niet-verbonden derde onder dezelfde omstandigheden een rente van 7,3% zou hebben gerekend. Vergelijkbare reguliere bancaire hypotheken hebben een rente van 2,15%. Hierop is door de inspecteur nog een opslag van 0,6 procentpunt toegepast vanwege het ontbreken van hypothecaire zekerheid. Het beroep van de man wordt ongegrond verklaard, waarmee zijn aftrek definitief blijft gemaximeerd op een rentepercentage van 2,75. 

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:1493 | 27-05-2025