Vergoeding voor ERE-certificaten is geen loon

Vanaf 2026 kunnen particulieren met een elektrische auto onder bepaalde voorwaarden een vergoeding ontvangen voor de stroom die zij thuis via hun eigen laadpaal laden. Dit gebeurt via zogenoemde ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden), die aantonen dat er CO₂-uitstoot is bespaard. De vergoeding voor de ERE-certificaten wordt betaald door bedrijven die fossiele brandstoffen verkopen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het aantal geladen kilowattuur (kWh) en de marktwaarde van de certificaten. Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Deze vergoeding vormt geen loon in de zin van de wet.

Loon van de werkgever

De vergoeding voor ERE-certificaten vormt geen loon van de werkgever. Dit komt doordat niet wordt voldaan aan de 'verstrekkingseis' en de 'causaliteitseis' van het loonbegrip. De vergoeding is geen voordeel in opdracht of voor rekening van de werkgever en heeft onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking; het behoort tot de persoonlijke sfeer van de werknemer.

Een vergoeding voor de werkelijke laadkosten van de auto van de zaak valt buiten de loonsfeer als intermediaire kosten, waarbij de ERE-certificaten de integrale kostprijs per kWh drukken. Afspraken over doorlevering van energie onder zakelijke voorwaarden kunnen de vergoeding buiten beschouwing laten. Hiervoor is immers de prijs op de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraken tussen partijen bepalend.

Loon van derden

Ook is er geen sprake van loon van derden. Hiervoor is vereist dat het voordeel een beloning is voor werkzaamheden die de werknemer in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht. Het opladen van de auto van de zaak wordt niet gezien als een werkzaamheid in dienstbetrekking, maar als een handeling van de werknemer als particuliere gebruiker van het stroomnet.

Bron: Belastingdienst | publicatie | KG:204:2026:16 | 02-08-2026

Geen arbeidskorting meer over bepaalde uitkeringen

Vanaf 1 januari 2027 wijzigen de regels voor het samenvoegen van loon en socialezekerheidsuitkeringen bij de loonheffingen. Deze aanpassing heeft financiële gevolgen voor werknemers die een socialezekerheidsuitkering via hun werkgever ontvangen.

Aanpassing samenvoegbepaling

De wijziging houdt in dat, ondanks het samenvoegen van loon uit vroegere dienstbetrekking (socialezekerheidsuitkeringen) en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, de arbeidskorting niet langer van toepassing is op het uitkeringsdeel. Dit volgt op een oordeel van de Hoge Raad over ongelijke behandeling. Het gaat om de volgende uitkeringen in combinatie met loon uit werk of een aanvulling op een uitkering:

  • WAO-uitkering
  • WAZ-uitkering
  • Wajong-uitkering
  • IVA- en WGA-uitkeringen (WIA-uitkeringen)
  • Ziektewetuitkering, behalve als die voortkomt uit het huidige dienstverband
  • Wamil-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen)
  • BNO-uitkering (buitengewone natuurlijke omstandigheden)
  • WTV-uitkering (werktijdverkorting)
  • Toeslag op grond van de Toeslagenwet

Rekenvoorbeeld
Een werknemer (45 jaar) is in dienst en ontvangt maandelijks een WGA-uitkering van € 2.000 via de werkgever (loon uit vroegere dienstbetrekking). Daarnaast betaalt de werkgever € 750 resterend loon en een aanvulling van € 250 op de uitkering, samen € 1.000 (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking). Het totale loon bedraagt € 3.000. Loonheffingskorting wordt toegepast.

Gevolgen voor de inhouding

In 2026 past de werkgever de witte maandtabel toe op het totale bedrag van € 3.000. De inhouding bedraagt € 386,83, waarbij € 458,17 aan arbeidskorting is verrekend. Netto ontvangt de werknemer € 2.613,17.

Vanaf 2027 wijzigt de berekening. Eerst wordt de inhouding op het totale bedrag van € 3.000 bepaald met de groene maandtabel (€ 845,00). Vervolgens wordt de verrekende arbeidskorting op het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (€ 1.000) met de witte maandtabel vastgesteld (€ 83,67). De uiteindelijke inhouding is dan € 845,00 minus € 83,67, wat neerkomt op € 761,33. Netto ontvangt de werknemer € 2.238,67.

Financiële impact

Voor de werknemer uit het voorbeeld betekent dit een netto achteruitgang van € 374,50 per maand. Dit komt neer op ongeveer 18% van het uitkeringsbedrag. Dit nadeel kan oplopen tot maximaal 31% van het bedrag van de bruto-uitkering dat in het totale loon zit. Werkgevers wordt geadviseerd hun werknemers tijdig te informeren over deze aanpassing, zodat zij zich hierop kunnen voorbereiden.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | stcrt-2026-25913 | 18-08-2026

Personal training dga valt onder arbovrijstelling

Een bv krijgt een naheffingsaanslag loonheffingen met belastingrente en een verzuimboete opgelegd. De inspecteur corrigeert de kosten voor personal training en sportschoolabonnementen van de dga en zijn echtgenote. De dga vindt dat deze kosten onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De werkgever zorgt hiermee voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is volgens de wet.

Arbowet en gezagsverhouding

De dga is directeur en enig aandeelhouder van de bv en tevens de enige werknemer. De bv heeft een 51%-belang in een andere bv, waar de echtgenote van de dga in dienst is. De inspecteur stelt dat de dga een zelfstandige is en dat de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat er wel sprake is van een gezagsverhouding tussen de bv en de dga, waardoor de Arbowet van toepassing is. Het is niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding.

Gerichte vrijstelling en partner

De bv stelt dat de kosten voor personal training en het sportschoolabonnement van de dga onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De rechtbank volgt dit standpunt en merkt op dat het direct-verbandcriterium niet meer geldt. De vrijstelling is ruim, waardoor de kosten voor de dga als gerichte vrijstelling kunnen worden aangemerkt. De kosten voor de partner van de dga vallen hier echter niet onder, omdat zij geen werknemer van de bv is.

Werkplek

De inspecteur betwist ook dat de voorzieningen op de werkplek zijn verbruikt. De rechtbank stelt vast dat arbovoorzieningen ook buiten de werkplek onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen. Verder slaagt het standpunt van de inspecteur over de gebruikelijkheidstoets niet, omdat hij dit onvoldoende met data onderbouwt.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4935 | 03-07-2026