Verhuur bedrijfspanden kwalificeert niet voor bor

Een vader overlijdt in november 2016 en laat zijn zoon en dochter achter als erfgenamen, ieder voor de helft van de nalatenschap. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in de bv van de vader die acht bedrijfspanden bezit in dezelfde plaats. Twee panden gebruikt de bv zelf, de overige zes worden verhuurd aan derden. De bv had voor het overlijden van de vader drie werknemers in dienst: de vader zelf, zijn partner en een medewerker die zorgt voor klein onderhoud en toezicht. De erfgenamen geven een ondernemingsvermogen aan van ruim € 3,1 miljoen en vragen toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (bor).

Waarom is de materiële onderneming zo belangrijk?

De bor biedt een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting voor ondernemingsvermogen. Het doel van de regeling is om te voorkomen dat erfgenamen een familiebedrijf moeten verkopen om de erfbelasting te kunnen betalen. Een cruciale voorwaarde is echter dat de bv een materiële onderneming drijft in de zin van de Wet inkomstenbelasting. Bezit de bv alleen beleggingsvermogen, dan geldt de vrijstelling niet. Het onderscheid tussen ondernemen en beleggen is daarom van groot belang: bij een belaste verkrijging van ruim € 1,7 miljoen kan de vrijstelling honderdduizenden euro's aan erfbelasting schelen.

Meer dan normaal vermogensbeheer?

De zoon betoogt dat de bv wel degelijk een materiële onderneming dreef. Hij wijst op de opruimwerkzaamheden die nodig waren nadat een failliete huurder onbevoegd chemische stoffen had opgeslagen. Bovendien woonde de vader als beheerder op het terrein, wat volgens de zoon leidde tot lagere onderhoudskosten en een betere verhuurbaarheid. Ook hadden huurders verbouwingen uitgevoerd die de bv een hoger indirect rendement zouden opleveren. De inspecteur bestrijdt dat deze werkzaamheden het normale vermogensbeheer overstijgen.

Gewone verhuurwerkzaamheden

Het hof geeft de inspecteur gelijk. Bij de exploitatie van onroerende zaken is pas sprake van een onderneming als de verrichte arbeid naar aard en omvang meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Bovendien moet die arbeid onmiskenbaar ten doel hebben dat een rendement wordt behaald dat het normale rendement te boven gaat. De werkzaamheden van de bv voldoen niet aan deze dubbele maatstaf. Het opstellen van huurovereenkomsten, het onderhouden van contact met huurders, debiteurenbeheer, klachtenbehandeling en klein onderhoud zijn immers werkzaamheden die bij iedere verhuurder voorkomen. Dat de vader op het terrein woonde maakt dit niet anders, omdat de zoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit daadwerkelijk tot een hoger rendement leidde.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:3418 | 26-05-2026

Beneficiaire aanvaarding beschermt niet tegen erfbelasting

Een vrouw overlijdt in 2022 en laat een testament na uit 1986. Daarin benoemt zij haar echtgenoot en dochter tot erfgenaam, ieder voor de helft. De echtgenoot krijgt een legaat tegen inbreng van de waarde en het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap. De dochter verkrijgt de bloot eigendom. De inspecteur legt een aanslag erfbelasting op van € 2.500, later verminderd tot € 2.444. De dochter maakt bezwaar.

Gebrouilleerde verhouding met vader

De dochter heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Zij heeft geen toegang tot de nalatenschap en de verhouding met haar vader is gebrouilleerd. Via haar gemachtigde vraagt zij de vader de erfbelasting te betalen. De vader laat via de executeur weten dat hij de erfbelasting niet wenst te betalen. De dochter stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van het EVRM.

Beneficiaire aanvaarding ziet op schulden, niet op heffing

De rechtbank oordeelt dat de beneficiaire aanvaarding niet afdoet aan de verschuldigdheid van erfbelasting. De beneficiaire aanvaarding ziet uitsluitend op de aansprakelijkheid voor schulden van de nalatenschap, niet op de heffing van erfbelasting. Het moment van overlijden is bepalend voor de belastingschuld. De dochter is als erfgenaam erfbelasting verschuldigd over haar verkrijging van het bloot eigendom.

Weigering vader is civielrechtelijke kwestie

De rechtbank overweegt dat de erfbelasting in beginsel voor rekening van de vruchtgebruiker komt. Dat de vader de erfbelasting niet wenst te betalen, is echter een civielrechtelijke kwestie die niet afdoet aan het fiscale oordeel. De dochter heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij ook in de toekomst feitelijk niets meer zal verkrijgen van de erfenis. Van een individuele en buitensporige last is daarom geen sprake. De aanslag blijft in stand.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4356 | 18-05-2026

Legitieme portie onder oud erfrecht is geen vordering

Een zoon woont jarenlang samen met zijn moeder en verleent haar mantelzorg. De vader is in 1995 overleden. In zijn testament heeft hij zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd. De twee zonen doen echter een beroep op hun legitieme portie, die samen 4/9e deel van vaders nalatenschap bedraagt. Tot die nalatenschap behoort onder meer vaders aandeel in de echtelijke woning. De woning blijft ook na zijn overlijden op zijn naam staan. In 2019 overlijdt moeder. 

Goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering

De Hoge Raad oordeelt dat een beroep op de legitieme portie onder het oude erfrecht leidt tot een goederenrechtelijke aanspraak op de goederen van de nalatenschap. Dat erfrecht gold tot 1 januari 2003. Door het inroepen van hun legitieme portie zijn de zonen deelgenoten geworden in vaders nalatenschap. Zij hebben daarmee geen vordering op moeder gekregen. Een dergelijke vordering had wel kunnen ontstaan bij een latere verdeling, maar die verdeling heeft nooit plaatsgevonden. Zonder vordering is er dan ook geen rente te berekenen.

Aanspraak niet uitgewerkt

Het hof oordeelt dat de goederenrechtelijke aanspraak van de zonen ten tijde van moeders overlijden is uitgewerkt op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad corrigeert dit. Die wet vereist slechts dat de legitimaris binnen de gestelde termijn verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Hij hoeft binnen die termijn niet ook daadwerkelijk verdeling te vorderen. De aanspraak van de zonen is dus niet uitgewerkt. Bij de vaststelling van moeders nalatenschap moet dan ook rekening worden gehouden met die aanspraak, door 4/9e van vaders deel van de woning in mindering te brengen.

Geen partnervrijstelling voor kind

De zoon beroept zich ook op de partnervrijstelling. Hij heeft jarenlang samengewoond met zijn moeder en haar mantelzorg verleend. Onder de destijds geldende wet bestaat weliswaar een verzachting voor mantelzorgers, maar die geldt niet voor bloedverwanten in de rechte lijn. De zoon heeft geen recht op de partnervrijstelling.

Oud erfrecht werkt nog door

Dit arrest is relevant voor nalatenschappen die vóór 2003 zijn opengevallen en nog niet volledig zijn afgewikkeld. Onder het oude erfrecht geeft een beroep op de legitieme portie een goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering. Die aanspraak kan nog steeds geldend worden gemaakt, ook nu het nieuwe erfrecht al meer dan twintig jaar van kracht is.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:669 | 16-04-2026