Kwijtscheldingswinstvrijstelling vervalt door herinvesteringsreserve

Een bv verkoopt in 2018 een schip met winst en vormt een herinvesteringsreserve. In 2019 scheldt de bank een deel van de schulden kwijt. De bv claimt de kwijtscheldingswinstvrijstelling, maar de rechtbank steekt daar een stokje voor. De herinvesteringsreserve zorgt ervoor dat te veel verrekenbare verliezen resteren.

Twee schepen verkocht

Een moedermaatschappij staat aan het hoofd van een fiscale eenheid. Via een vennootschap onder firma (vof) bezit zij de helft van een vrachtschip. In 2018 wordt dat schip verkocht met een boekwinst van ruim € 724.000. Die winst doteert zij aan de herinvesteringsreserve. In 2019 wordt de vof ontbonden. De bank verleent finale kwijting voor de resterende schulden. Het kwijtgescholden deel dat de moedermaatschappij aangaat, bedraagt bijna vier ton.

Herinvestering via de fiscale eenheid

De vervangende investeringen worden niet door de moedermaatschappij zelf gedaan, maar door twee dochtervennootschappen binnen de fiscale eenheid, die in 2019 nieuwe schepen aanschaffen. De moedermaatschappij boekt de herinvesteringsreserve af op deze investeringen.

Vrijstelling geclaimd

In de aangifte 2019 past de moedermaatschappij de kwijtscheldingswinstvrijstelling toe voor het volledige bedrag van bijna vier ton. Die vrijstelling geldt voor zover de kwijtscheldingswinst de verrekenbare verliezen overstijgt. De gedachte: als er geen verliezen meer zijn om te verrekenen, hoeft de kwijtscheldingswinst niet belast te worden.

Probleem: de fiscale eenheid

Bij een fiscale eenheid gelden speciale regels. De vrijstelling geldt alleen voor zover de bv er ook recht op zou hebben gehad als zij zelfstandig was gebleven. De moedermaatschappij betoogt dat zij dan geen herinvesteringsreserve had kunnen vormen. De vervangende investeringen deden immers de dochters, niet zijzelf. Zonder die reserve zou haar winst in 2018 ruim € 830.000 zijn geweest en zouden alle eerdere verliezen zijn verrekend. In dat geval resteert geen verlies en is de vrijstelling volledig van toepassing.

Rechtbank: herinvesteringsreserve telt mee

De rechtbank volgt dit betoog niet. Bij de zelfstandige winstberekening moet de herinvesteringsreserve worden meegenomen bij de vennootschap die de boekwinst behaald heeft. Dat is nu eenmaal de moedermaatschappij. Zonder boekwinst valt niets te doteren, dus de reserve kan niet bij een andere vennootschap worden gevormd. Bovendien bestond een van de dochters in 2018 nog niet. Toerekening aan haar is dus ondenkbaar. Met de herinvesteringsreserve bedraagt de zelfstandige winst 2018 slechts € 107.000, met als gevolg dat ruim € 727.000 resteert aan verrekenbare verliezen. Die verliezen overstijgen de kwijtscheldingswinst. De vrijstelling vervalt.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:3556 | 09-02-2026

Doorlenen tegen hogere rente is winstuitdeling

Een bv leent een miljoen aan haar dga tegen 2% rente. De dga leent datzelfde bedrag door aan derden tegen 7% rente. Het verschil van 5% steekt hij in eigen zak. De inspecteur ziet dit als een verkapte winstuitdeling. Het hof is het daarmee eens. Wie aan zijn eigen bv minder rente betaalt dan hij vraagt van een derde, bevoordeelt zichzelf als aandeelhouder.

Twee leningen, één geldstroom

De dga leent geld uit aan een zakenrelatie en diens bv. Dit geld leent hij van zijn eigen bv tegen een lagere rente. Het geld gaat rechtstreeks van de bv naar de zakenrelatie. De dga fungeert als doorgeefluik en houdt jaarlijks het renteverschil (van ruim € 45.000).

De inspecteur prikt erdoorheen

De inspecteur constateert dat de twee leningen nagenoeg identiek zijn. Dezelfde hoofdsom, hetzelfde moment van aangaan, dezelfde afwezigheid van zekerheden en tussentijdse aflossingsverplichtingen. Zelfs de aflossingsdata vallen samen. Het enige verschil is de rente. De inspecteur stelt dat de bv een onzakelijk lage rente heeft bedongen van haar aandeelhouder. Dat renteverschil is een verkapte winstuitdeling die tot de winst van de bv moet worden gerekend.

Vermogenspositie maakt geen verschil

De rechtbank geeft de bv nog gelijk. De vermogenspositie van de dga zou gunstiger zijn dan die van de zakenrelatie, waardoor een lagere rente gerechtvaardigd zou zijn. Het hof denkt daar anders over. De zakenrelatie bezit 42 onroerende zaken en heeft een aanzienlijke rendementsgrondslag in box 3. De dga beschikt naast zijn box 3-vermogen ook over alle aandelen in de bv, met een waarde van ruim € 3 miljoen. Beide partijen kunnen de lening van € 1 miljoen eenvoudig terugbetalen. Het verschil in vermogenspositie verklaart het renteverschil dus niet.

Bewust of onbewust? Het maakt niet uit

Het hof oordeelt dat sprake is van een opzettelijk winstgemis. Gezien het substantiële renteverschil had het voor de bv en de dga, die als enig aandeelhouder en bestuurder met elkaar te vereenzelvigen zijn, duidelijk moeten zijn dat 2% een onzakelijk lage rente was. Of zij zich bewust waren van de exacte omvang van de bevoordeling, doet er niet toe. Het verschil van ruim € 45.000 is een winstuitdeling en wordt bij de winst van de bv opgeteld. De inspecteur krijgt gelijk.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:1011 | 16-02-2026

Schuld aan jezelf verdwijnt en levert belastbare winst op

Een bv koopt voor € 2.500 een vordering van ruim € 6 miljoen op zichzelf. Die vordering verdwijnt daardoor: je kunt immers geen schuld aan jezelf hebben. De inspecteur ziet dit als een voordeel en heft vennootschapsbelasting over het verschil. De bv vindt dat onterecht. 

Hoe ontstond deze situatie?

Een commanditaire vennootschap (cv) – een samenwerkingsverband tussen vennoten – wordt bestuurd door een bv. In de loop der jaren koopt die bv alle belangen van de andere vennoten op. Uiteindelijk is de bv de enige overgebleven vennoot. Van een echte samenwerking is dan geen sprake meer: de cv en de bv zijn feitelijk één geworden. De cv had een schuld van ruim € 6 miljoen aan een andere groepsvennootschap voor managementvergoedingen. Die groepsvennootschap gaat failliet. De curator verkoopt de vordering aan de bv voor slechts € 2.500.

Schuld aan jezelf bestaat niet

Door de aankoop van de vordering ontstaat een bijzondere situatie. De bv is nu zowel schuldeiser als schuldenaar. Je kunt geen schuld aan jezelf hebben: als je € 100 tegoed hebt van jezelf, kun je dat bedrag niet opeisen. De schuld verdwijnt daarom automatisch. Dit heet in juridische termen ‘schuldvermenging’. De rechtbank oordeelt dat het niet uitmaakt dat de cv nog bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven. Er is geen samenwerkingsverband meer, dus de cv bestaat fiscaal niet meer als zelfstandige entiteit.

Vrijval is winst

De bv had een schuld van € 6 miljoen op de balans staan. Die schuld verdwijnt nu voor € 2.500. Het verschil is een voordeel. De inspecteur belast dit als kwijtscheldingswinst. De bv probeert daar onderuit te komen met verschillende argumenten. Zij stelt dat de vrijval niet belast zou moeten worden, omdat de lening bijzondere kenmerken had. De rechtbank verwerpt dit. De bv heeft geen leningsovereenkomst overgelegd waaruit die bijzondere kenmerken blijken. Ook het beroep op eerder gemaakte afspraken met de Belastingdienst slaagt niet, omdat de bv niet kan bewijzen dat die afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:969 | 03-03-2026