Toch btw-aftrek bij verhuur werkkamer en garage aan eigen bv

Bij dga’s en ondernemers die vanuit huis werken en een ruimte verhuren aan hun bv, neemt de Belastingdienst vaak het standpunt in dat bij enig privégebruik niet kan worden geopteerd voor belaste verhuur. In een recente uitspraak nuanceert het hof dit. Beslissend is of het verhuurde gedeelte als woning wordt gebruikt. Als het geheel voor meer dan 70% zakelijk wordt gebruikt en niet als woning dient, is een optie belaste verhuur mogelijk. Daarnaast bevestigt het hof dat verhuur aan de eigen bv tegen een marktconforme prijs een economische activiteit vormt.

Verhuur garage aan bv

Een advocaat en zijn partner kopen een stuk grond en laten daarop een woning bouwen. De woning bevat een werkkamer en een garage die naast elkaar liggen en via een tussendeur met elkaar zijn verbonden. De garage beschikt daarnaast over een eigen uitgang naar buiten. Het samenwerkingsverband van de advocaat en zijn partner claimt aftrek van voorbelasting op de bouwkosten. Het verhuurt beide ruimtes aan de bv van de advocaat en in de huurovereenkomst staat dat de verhuur vanaf het begin belast is met btw. De advocaat verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. In de garage staan de auto van de zaak en stukken van de bv opgeslagen. De garage wordt voor 79% zakelijk gebruikt.

Optie belaste verhuur

De inspecteur weigert de gevraagde teruggaven. Hij stelt dat er geen sprake is van een economische activiteit, omdat de werkkamer onvoldoende zelfstandig is om aan een willekeurige derde te verhuren. Door het gebruik als woning kan ook niet worden geopteerd voor belaste verhuur. Het hof komt tot een ander oordeel. De wet maakt het mogelijk te kiezen voor belaste verhuur van gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt. Dit geldt volgens het hof ook voor onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning dient. Partijen zijn het erover eens dat de werkkamer en garage onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en één geheel vormen. Het hof oordeelt dat dit geheel hoofdzakelijk door de bv wordt gebruikt én anders dan als woning. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik. Concluderend is het hof van oordeel dat belaste verhuur mogelijk is in deze situatie.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3538 | 09-12-2025

Prijsafspraak bij verkoop aandelen verhindert fiscale eenheid

Een bouwbedrijf investeert via een dochter-bv in een zeeschip en past willekeurige afschrijving toe. De moedermaatschappij voegt de dochter in de fiscale eenheid. Enkele jaren later blijkt dat bij de investering een participatieovereenkomst is gesloten met een prijsafspraak voor de latere verkoop van de aandelen. De inspecteur stelt dat hierdoor nooit een fiscale eenheid tot stand is gekomen. Bezit de moeder wel het economisch eigendom van de aandelen in haar dochter?

Structuur

Een bv staat aan het hoofd van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Een gevoegde dochtermaatschappij exploiteert een bouwbedrijf. Deze dochter richt samen met een scheepvaartonderneming een nieuwe vennootschap op om te investeren in een zeeschip. De nieuwe vennootschap treedt als commanditaire vennoot toe tot een cv die het schip exploiteert. De moedermaatschappij verzoekt om voeging van de nieuwe vennootschap in de fiscale eenheid. De inspecteur geeft een beschikking af met ingangsdatum 29 september 2011. Via de fiscale eenheid brengt de moeder de willekeurige afschrijving op het schip en de exploitatieverliezen in aftrek.

Participatieovereenkomst

Na de oprichting sluiten de partijen een participatieovereenkomst. Daarin krijgt de moeder het recht om na drie jaar de aandelen aan de scheepvaartonderneming aan te bieden. De koopprijs wordt berekend volgens een bijgevoegd rekenmodel. Dit model werkt opmerkelijk: bij een hogere taxatiewaarde van het schip daalt de koopprijs voor de aandelen. Een tegengestelde verandering in de waardering van de belastinglatentie matigt namelijk de waardeverandering van het schip. De inspecteur ontdekt de participatieovereenkomst pas tijdens een derdenonderzoek bij de scheepvaartonderneming in 2014.

Economisch eigendom ontbreekt

De inspecteur legt navorderingsaanslagen op. Het gerechtshof oordeelt dat de moeder door de prijsafspraak slechts een beperkt risico van waardeverandering draagt. De moeder bezit daarom niet het economisch eigendom van ten minste 95% van de aandelen. De fiscale eenheid is dus nooit tot stand gekomen. Het gerechtshof verwerpt ook het beroep op het vertrouwensbeginsel. De moeder verstrekt bij het voegingsverzoek onjuiste informatie over het economisch eigendom. Zij had redelijkerwijs moeten weten dat de inspecteur daardoor het verzoek niet goed kon beoordelen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2025:7779 | 02-12-2025

Voldoende verwevenheid voor fiscale eenheid btw

Een holding verhuurt een pand inclusief inventaris aan een bv die een cafetaria en ijssalon exploiteert. De aandelen van zowel de holding als de bv zijn in handen van dezelfde persoon, die ook bestuurder is van beide. De inspecteur besluit om een fiscale eenheid vast te stellen tussen de bv en de holding. Zij voldoen aan de drie vereisten van een fiscale eenheid: financiële, organisatorische en economische verwevenheid.

Financiële verwevenheid

De aandelen in zowel de holding als de bv zijn in handen van dezelfde persoon, die hierdoor volledige zeggenschap heeft over beide vennootschappen. Dit maakt dat er sprake is van financiële verwevenheid.

Organisatorische verwevenheid

De aandeelhouder is via een andere vennootschap tevens bestuurder van zowel de holding als de bv. Dit betekent dat er sprake is van een gezamenlijke leiding, omdat hij voor beide vennootschappen beleidsbeslissingen kan nemen en hun strategieën kan bepalen.

Economische verwevenheid

De holding verhuurt een pand en inventaris aan de bv Dit resulteert in omzet uit deze onderlinge relaties. Deze economische banden zijn volgens het hof niet verwaarloosbaar, aangezien ruim 34% van de omzet van de holding afkomstig is van de bv.

Fiscale eenheid

Het hof beoordeelt deze drie verwevenheden in samenhang en concludeert dat de holding en de bv, ondanks hun juridische zelfstandigheid, zodanig met elkaar verbonden zijn dat zij voor de omzetbelasting als één ondernemer moeten worden aangemerkt. Dit rechtvaardigt het bestaan van een fiscale eenheid.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3540 | 09-12-2025