Voorlopige inhoud Belastingplan 2027

De voorlopige inhoud van het Belastingplan 2027-pakket geeft een eerste blik op de aanstaande wijzigingen. Het pakket Belastingplan 2027 omvat vier wetsvoorstellen, waaronder het Belastingplan 2027 zelf en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2027, dat technische aanpassingen bevat zonder budgettaire gevolgen. Daarnaast zijn er wetsvoorstellen voor veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 en fiscale stimulering van startups en scale-ups.

Overdrachtsbelasting en btw
De overdrachtsbelasting voor particuliere investeerders daalt van 8% naar 7% per 1 januari 2027 voor woningen waarin de verkrijger niet zelf duurzaam gaat wonen. Ook komt er een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor woningcorporaties die DAEB-woningen aan elkaar overdragen. Het lage btw-tarief voor sierteeltproducten stijgt van 9% naar het algemene btw-tarief van 21% per 1 januari 2028.

Aftrekposten en accijnzen
De aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten wordt afgeschaft per 2028. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. De onbelaste reiskostenvergoeding stijgt met € 0,02 naar € 0,25 per kilometer, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. De korting op de brandstofaccijns voor benzine wordt verlengd in 2027, waarna het reguliere tarief per 1 januari 2028 weer van toepassing is. Vanaf 2027 worden de alcoholaccijnzen jaarlijks geïndexeerd.

Fiscale stimulering en overige maatregelen
Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. De fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling wordt aangepast om onevenwichtigheden weg te nemen. De accijnsteruggaafregeling voor bio- en hernieuwbare brandstoffen wordt per 1 januari 2027 beëindigd.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2026D28734 | 09-06-2026

Beneficiaire aanvaarding beschermt niet tegen erfbelasting

Een vrouw overlijdt in 2022 en laat een testament na uit 1986. Daarin benoemt zij haar echtgenoot en dochter tot erfgenaam, ieder voor de helft. De echtgenoot krijgt een legaat tegen inbreng van de waarde en het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap. De dochter verkrijgt de bloot eigendom. De inspecteur legt een aanslag erfbelasting op van € 2.500, later verminderd tot € 2.444. De dochter maakt bezwaar.

Gebrouilleerde verhouding met vader

De dochter heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Zij heeft geen toegang tot de nalatenschap en de verhouding met haar vader is gebrouilleerd. Via haar gemachtigde vraagt zij de vader de erfbelasting te betalen. De vader laat via de executeur weten dat hij de erfbelasting niet wenst te betalen. De dochter stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van het EVRM.

Beneficiaire aanvaarding ziet op schulden, niet op heffing

De rechtbank oordeelt dat de beneficiaire aanvaarding niet afdoet aan de verschuldigdheid van erfbelasting. De beneficiaire aanvaarding ziet uitsluitend op de aansprakelijkheid voor schulden van de nalatenschap, niet op de heffing van erfbelasting. Het moment van overlijden is bepalend voor de belastingschuld. De dochter is als erfgenaam erfbelasting verschuldigd over haar verkrijging van het bloot eigendom.

Weigering vader is civielrechtelijke kwestie

De rechtbank overweegt dat de erfbelasting in beginsel voor rekening van de vruchtgebruiker komt. Dat de vader de erfbelasting niet wenst te betalen, is echter een civielrechtelijke kwestie die niet afdoet aan het fiscale oordeel. De dochter heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij ook in de toekomst feitelijk niets meer zal verkrijgen van de erfenis. Van een individuele en buitensporige last is daarom geen sprake. De aanslag blijft in stand.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4356 | 18-05-2026

Boete vervalt door strafrechtelijke vrijspraak, navordering niet

Een recyclingbedrijf betaalt in 2017 ruim € 1 miljoen aan twee bv's voor de levering van cacaoveegsel en steigermateriaal. De FIOD vermoedt dat geen goederen zijn geleverd en dat het om witwassen gaat. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Toch legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. Mag dat na een vrijspraak? En wat betekent de vrijspraak voor de vergrijpboete?

Opmerkelijke transacties

Het recyclingbedrijf maakt deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In 2017 stelt het bedrijf creditfacturen op aan twee bv's: € 325.000 voor cacaoveegsel en € 753.280 voor steigermateriaal. Het bedrijf betaalt deze bedragen aan de twee bv's en brengt ze als inkoopkosten in aftrek. De FIOD doet onderzoek. De twee bv's blijken holdings te zijn zonder activiteiten in de recyclingbranche. Weegbonnen, vrachtbrieven en andere documenten die de leveringen onderbouwen, ontbreken. De dga verklaart dat hij niet weet van wie de goederen afkomstig zijn en dat hij geen contactpersoon heeft bij een van de bv's.

Vrijspraak voor witwassen en valsheid in geschrifte

Het recyclingbedrijf wordt vervolgd voor witwassen en valsheid in geschrifte. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat een goederenstroom ontbreekt, maar er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de facturen vals zijn. De inspecteur legt desondanks een navorderingsaanslag op van ruim € 1 miljoen aan gecorrigeerde winst, plus een vergrijpboete van € 129.785.

Belastingrechter oordeelt zelfstandig

De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg staat aan de navorderingsaanslag. De belastingrechter vormt zelfstandig een oordeel over de feiten en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. De bewijslast voor de inkoopkosten rust op het bedrijf. Het bedrijf slaagt daar niet in. De creditfacturen zijn door het bedrijf zelf opgesteld en worden niet ondersteund door achterliggende stukken of een geloofwaardige verklaring. Bij een kostenpost van ruim € 1 miljoen mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.

Boete sneuvelt op onschuldpresumptie

Voor de vergrijpboete geldt een ander regime. De inspecteur moet overtuigend aantonen dat sprake is van opzet. Hij baseert zich uitsluitend op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek en heeft geen aanvullend onderzoek verricht. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur daarmee niet in zijn bewijslast slaagt. De boete verwijt het bedrijf in wezen dat het valse facturen heeft gebruikt. Dat uitgangspunt is na de strafrechtelijke vrijspraak in strijd met de onschuldpresumptie. De rechtbank vernietigt daarom de boete.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 | 23-04-2026