Liquidatie bv leidt tot navordering pensioen en stamrecht

Een dga liquideert in februari 2020 zijn bv, waarin een pensioenaanspraak in eigen beheer en een stamrecht aanwezig zijn. De bv heeft op dat moment een vordering van € 117.190 op de dga. In zijn aangifte 2020 vermeldt de dga geen inkomen uit stamrecht. De inspecteur stelt dat de dga het pensioen- en stamrecht heeft prijsgegeven. Omdat slechts € 117.190 daarvan voor verwezenlijking vatbaar is (door verrekening met de vordering), is alleen dat bedrag tot het inkomen gerekend. De inspecteur legt hiervoor een navorderingsaanslag op.

Nieuw feit

De dga stelt dat er geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en dat de inspecteur eerder onderzoek had moeten doen. Ook vindt hij dat de berekende waarde van het pensioenrecht niet reëel is, omdat er geen geld meer in de bv zit. De rechtbank oordeelt dat de liquidatie van de bv een nieuw feit vormt, omdat de inspecteur pas na de vpb-aangifte van de bv over de benodigde informatie beschikte. De dga heeft de vereiste aangifte niet gedaan, omdat hij de waarde van het stamrecht niet heeft aangegeven. Hij was door zijn adviseur gewaarschuwd dat hij niet van de bv af kon vanwege het stamrecht, maar heeft ervoor gekozen de bv desondanks te liquideren. Hierdoor wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag op een redelijke schatting gebaseerd, welke de dga niet overtuigend heeft kunnen weerleggen.

Arbeidsongeschiktheid 

Onder bepaalde voorwaarden kan een aanspraak op lijfrente geheel of gedeeltelijk worden afgekocht, zonder dat revisierente verschuldigd is. Een van die voorwaarden is dat de belastingplichtige langdurig arbeidsongeschikt is. De dga betoogt dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn arbeidsongeschiktheid, net zoals bij de afkoop van een lijfrente. De rechtbank volgt dit betoog niet. Er is hier geen sprake van 'afkoop', maar van 'prijsgeven'. De wettekst biedt geen ruimte voor de door de dga voorgestane ruime uitleg. Ook maakt hij niet aannemelijk dat de revisierente voor hem een buitensporige last vormt.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:7933 | 13-10-2026

Gratis werken toch belast

Een vrachtwagenchauffeur werkt in 2019 en 2020 bijna gratis voor de bv van zijn zoon en dochter. Hij is persoonlijk failliet en alles wat hij verdient gaat naar de curator. Daarom wil hij geen inkomen op eigen naam. De inspecteur belast hem toch voor ruim € 64.000 per jaar en legt een boete op van € 6.828. Het hof geeft de inspecteur gelijk over het inkomen, maar schrapt de boete.

Rijden voor de kinderen

De vrachtwagenchauffeur en zijn vrouw gaan in oktober 2016 failliet. Twee maanden later richten hun kinderen een bv op. De bv heeft een paardenpension, een mesthandel en een transporttak. De vader rijdt als chauffeur voor andere transportbedrijven. Ook maakt hij de facturen op en sluit hij de contracten af. In twee jaar krijgt hij in totaal maar € 5.176 loon. De bv stuurt de rekening voor zijn ritten zelf naar de klanten. In 2019 levert dat € 64.659 op, in 2020 zelfs € 201.001.

Geen loon, wel inkomen

De inspecteur vindt eerst dat de omzet eigenlijk van de vader is. Dat wijst het hof af. Iedereen wil juist dat het geld naar de bv gaat en zo is het ook geregeld. Toch is het chauffeurswerk een bron van inkomen. Hij doet mee in het zakenleven en zijn werk levert normaal gesproken geld op. Een gewone baan is het niet, want niemand geeft hem opdrachten. Het hof belast zijn werk daarom als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarbij geldt dezelfde regel als voor ondernemers: wie familie bewust te goedkoop helpt, wordt belast alsof hij een normale prijs vraagt.

Familie gaat voor

De vader wijst op een oud arrest van de Hoge Raad. Wie een ander uit persoonlijke motieven iets gunt, wordt daar meestal niet voor belast. Maar datzelfde arrest maakt een uitzondering voor bijzondere gevallen. Dit is zo'n geval, zegt het hof. Het geld komt rechtstreeks uit zijn werk en hij laat het aan de bv van zijn kinderen. Hij zegt zelf dat hij voor een ander niet gratis zou werken. Een normale beloning voor zijn rol is volgens het hof ten minste € 70.000 per jaar. De correctie van de inspecteur is volgens het hof dus niet te hoog.

Wel inkomen, geen boete

De boete gaat wel van tafel. Het hof is van mening dat er sprake is van een pleitbaar standpunt. De rechtspraak zegt weinig over wanneer zo'n uitzondering van toepassing is. De vader mag daarom redelijkerwijs denken dat hij alleen het geld hoeft op te geven dat hij echt ontvangt.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1941 | 21-07-2026

Vordering op kind geen banktegoed voor box 3

Een vrouw geeft in haar aangifte een aanzienlijk bedrag aan bezittingen aan, waaronder hypothecaire geldleningen aan haar kinderen. De inspecteur merkt deze aan als overige bezittingen, wat leidt tot een geschil over de juiste kwalificatie.

Bezittingen en de aanslag

De vrouw geeft voor 2021 een totaal van € 1,5 miljoen aan bezittingen op. Dit omvat onder meer twee hypothecaire geldleningen aan haar kinderen met een rente van 2,5% per jaar. De inspecteur stelt de definitieve aanslag vast, waarbij de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt met een rendement van 5,69%. De vrouw stelt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden gezien, omdat zij kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, de zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, het niet aanwezig zijn van een winststreven en de regelmatige rente-inkomsten. Voor banktegoeden geldt in 2021 een rendement van 0,01%.

Geen deposito

Het hof oordeelt echter dat de vorderingen niet voldoen aan de definitie van een 'deposito' volgens de Wet op het financieel toezicht, waarnaar de Wet rechtsherstel box 3 verwijst. Een vergelijking met VvE-reservefondsen, die voor 2021 ook als overige bezittingen golden, gaat niet op. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie, omdat het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wezenlijk afwijken van banktegoeden.

Werkelijk rendement onbekend

Nu de vorderingen niet als banktegoed worden aangemerkt, betoogt de vrouw dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De heffing zou hoger zijn dan het werkelijke rendement. Het hof oordeelt dat de vrouw dit niet aannemelijk maakt, omdat zij geen inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Daarom faalt ook dit standpunt.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:5874 | 07-09-2026