Terugbetaling van kapitaal moet vooraf zijn geregeld, niet achteraf

In 2019 laat een directeur-grootaandeelhouder zijn werkmaatschappij € 116.324 uit de agioreserve op zijn privérekening storten. De inspecteur ziet daarin een verkapte uitdeling door de tussenliggende holding en legt een navorderingsaanslag op naar een verzamelinkomen van € 198.153. De aandeelhouder stelt dat hij een onbelaste terugbetaling van kapitaal bedoelt en laat de besluitvorming in 2023 alsnog repareren. Het hof oordeelt dat de wettelijke voorwaarden vóór de uitkering vervuld moeten zijn. De navordering blijft in stand.

Geld uit de agioreserve

De aandeelhouder bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt alle aandelen in de werkmaatschappij houdt. Op 14 oktober 2019 besluit de aandeelhoudersvergadering van de holding tot een uitkering uit de agioreserve van de werkmaatschappij. Diezelfde dag doet de werkmaatschappij aangifte dividendbelasting en kruist aan dat inhouding achterwege kan blijven. Het bedrag gaat rechtstreeks naar de privérekening van de aandeelhouder. Hij vermeldt het niet in zijn aangifte over 2019, maar geeft het in mei 2022 alsnog aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, waarna de inspecteur navordert.

Reparatie in 2023

In bezwaar noemt de aandeelhouder het een terugbetaling van kapitaal. In juni 2023 volgt een reeks herstelhandelingen. De werkmaatschappij zet de agioreserve om in nominaal aandelenkapitaal, vermindert dat kapitaal weer en draagt haar vordering op de aandeelhouder over aan de holding. De holding verrekent die vordering met een dividenduitkering. In augustus 2023 maakt de aandeelhouder € 116.324 over naar de werkmaatschappij en daarmee acht hij de uitdeling teruggedraaid. Hij beroept zich bovendien op dwaling.

Wanneer is het een uitdeling?

Een regulier voordeel ontstaat zodra vermogen naar de aandeelhouder verschuift met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen, terwijl beide partijen zich daarvan bewust zijn of hadden moeten zijn. De aandeelhouder zit de vergadering zelf voor, notuleert die en ondertekent de aangifte dividendbelasting. Bovendien geeft hij het bedrag in 2022 zelf aan. 

Verkeerd jaar, verkeerd niveau

De wet IB verlangt voor een onbelaste terugbetaling dat de algemene vergadering daartoe besluit en dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met hetzelfde bedrag daalt, beide vóór de uitkering. In 2019 gebeurt geen van beide. Wat in 2023 alsnog gebeurt, valt in het verkeerde jaar en op het verkeerde niveau: bij de werkmaatschappij in plaats van de uitkerende holding. Ook het beroep op dwaling helpt niet. De terugwerkende kracht van een vernietiging geldt fiscaal niet. 

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:2169 | 29-06-2026

Gunstiger boetebeleid geldt ook voor oude jaren

Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke maximum. Het boetebeleid schrijft sinds 2014 weliswaar nog maar 7% voor, maar het overgangsrecht verklaart die regel pas van toepassing vanaf belastingjaar 2014. De Hoge Raad zet dat overgangsrecht opzij wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. De boete gaat naar € 344.

Aangifte blijft uit

De inspecteur nodigt de vrouw uit om aangifte te doen, herinnert haar en maant haar aan. De uiterste termijn voor de aangifte inkomstenbelasting wordt door de inspecteur op 7 mei 2014 gesteld. De aangifte blijft echter uit. Op 10 januari 2015 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op, met een verzuimboete. Omdat het om een tweede achtereenvolgend verzuim gaat, legt hij, overeenkomstig het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 2011, een boete op van 20% van het wettelijke maximum (van destijds € 4.920).

Twintig of zeven procent?

De vrouw wijst erop dat de maximale boete slechts 7% van € 4.920 (€ 344) mag bedragen. In het BBBB van 2014 is immers de regel vervallen op grond waarvan bij een tweede achtereenvolgende verzuim een verzuimboete wordt opgelegd van 20% van het maximum. De Hoge Raad overweegt dat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de gunstigste bepaling (volgens Europese verdragen) meebrengen dat de boete niet hoger mag zijn dan wat ten tijde van het beboetbare feit mogelijk was, of wat later gunstiger is geworden. Het overgangsrecht dat de nieuwe regeling pas vanaf belastingjaar 2014 van toepassing verklaart, moet buiten toepassing blijven wegens strijd met deze verdragsbepalingen.

Maximum van 2014 telt

Ook de verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 naar € 5.278 blijft buiten toepassing, omdat het beboetbare feit daarvóór ligt en het gunstigste bedrag telt. De Hoge Raad vermindert de boete tot € 344 en matigt niet verder, vanwege de financiële omstandigheden van de belastingplichtige. Het hof achtte een boete van € 492 immers al proportioneel. 

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1341 | 06-08-2026

Zonder aangekruist verzoek geen doorschuiving van de verkrijgingsprijs

Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens de weduwe ligt daarin een impliciet verzoek om doorschuiving besloten. Zij claimt in 2020 een verlies van ruim € 260.000. De inspecteur gaat uit van het gestorte aandelenkapitaal en komt uit op een verlies van € 5.000. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. Sinds 2015 staat het verzoek als aan te kruisen vakje op het aangiftebiljet en de bv drijft geen onderneming.

Verlies van twee ton

In haar aangifte over 2020 vermeldt de weduwe een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 260.000. Zij rekent met een overdrachtsprijs van bijna € 13.000 en een verkrijgingsprijs van ruim € 270.000, bestaande uit agio en aandelenkapitaal. De inspecteur wijkt daarvan af en stelt de verkrijgingsprijs vast op het gestort en geplaatst aandelenkapitaal per 1 januari 2018 van ruim € 18.000. De inspecteur komt zo uit op een verlies van € 5.000.

Sinds 2015 een vakje

De doorschuifregeling vergt een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden. Dat verzoek kan ook impliciet worden gedaan, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De weduwe wijst op een uitspraak waarin het hof zo'n impliciet verzoek aanneemt. De rechtbank ziet een beslissend verschil: die zaak betreft een aangifte over 2011, toen het biljet nog geen vakje voor doorschuiving kende. Sinds 2015 bestaat dat vakje wel en in de aangifte over 2018 is het leeg gebleven. Wie het verzoek kan en moet doen maar dat nalaat, voldoet niet aan de voorwaarde.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7358 | 06-08-2026