Gunstiger boetebeleid geldt ook voor oude jaren

Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke maximum. Het boetebeleid schrijft sinds 2014 weliswaar nog maar 7% voor, maar het overgangsrecht verklaart die regel pas van toepassing vanaf belastingjaar 2014. De Hoge Raad zet dat overgangsrecht opzij wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. De boete gaat naar € 344.

Aangifte blijft uit

De inspecteur nodigt de vrouw uit om aangifte te doen, herinnert haar en maant haar aan. De uiterste termijn voor de aangifte inkomstenbelasting wordt door de inspecteur op 7 mei 2014 gesteld. De aangifte blijft echter uit. Op 10 januari 2015 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op, met een verzuimboete. Omdat het om een tweede achtereenvolgend verzuim gaat, legt hij, overeenkomstig het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 2011, een boete op van 20% van het wettelijke maximum (van destijds € 4.920).

Twintig of zeven procent?

De vrouw wijst erop dat de maximale boete slechts 7% van € 4.920 (€ 344) mag bedragen. In het BBBB van 2014 is immers de regel vervallen op grond waarvan bij een tweede achtereenvolgende verzuim een verzuimboete wordt opgelegd van 20% van het maximum. De Hoge Raad overweegt dat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de gunstigste bepaling (volgens Europese verdragen) meebrengen dat de boete niet hoger mag zijn dan wat ten tijde van het beboetbare feit mogelijk was, of wat later gunstiger is geworden. Het overgangsrecht dat de nieuwe regeling pas vanaf belastingjaar 2014 van toepassing verklaart, moet buiten toepassing blijven wegens strijd met deze verdragsbepalingen.

Maximum van 2014 telt

Ook de verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 naar € 5.278 blijft buiten toepassing, omdat het beboetbare feit daarvóór ligt en het gunstigste bedrag telt. De Hoge Raad vermindert de boete tot € 344 en matigt niet verder, vanwege de financiële omstandigheden van de belastingplichtige. Het hof achtte een boete van € 492 immers al proportioneel. 

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1341 | 06-08-2026

Zonder aangekruist verzoek geen doorschuiving van de verkrijgingsprijs

Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens de weduwe ligt daarin een impliciet verzoek om doorschuiving besloten. Zij claimt in 2020 een verlies van ruim € 260.000. De inspecteur gaat uit van het gestorte aandelenkapitaal en komt uit op een verlies van € 5.000. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. Sinds 2015 staat het verzoek als aan te kruisen vakje op het aangiftebiljet en de bv drijft geen onderneming.

Verlies van twee ton

In haar aangifte over 2020 vermeldt de weduwe een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 260.000. Zij rekent met een overdrachtsprijs van bijna € 13.000 en een verkrijgingsprijs van ruim € 270.000, bestaande uit agio en aandelenkapitaal. De inspecteur wijkt daarvan af en stelt de verkrijgingsprijs vast op het gestort en geplaatst aandelenkapitaal per 1 januari 2018 van ruim € 18.000. De inspecteur komt zo uit op een verlies van € 5.000.

Sinds 2015 een vakje

De doorschuifregeling vergt een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden. Dat verzoek kan ook impliciet worden gedaan, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De weduwe wijst op een uitspraak waarin het hof zo'n impliciet verzoek aanneemt. De rechtbank ziet een beslissend verschil: die zaak betreft een aangifte over 2011, toen het biljet nog geen vakje voor doorschuiving kende. Sinds 2015 bestaat dat vakje wel en in de aangifte over 2018 is het leeg gebleven. Wie het verzoek kan en moet doen maar dat nalaat, voldoet niet aan de voorwaarde.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7358 | 06-08-2026

Geen heffingsvrij vermogen bij werkelijk rendement

Een man en vrouw hebben in 2023 uitsluitend bank- en spaartegoeden van in totaal € 229.802. Op deze tegoeden ontvangen zij gedurende het jaar € 1.575 aan rente. De Belastingdienst stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) vast op € 1.065. De man vindt dat dit bedrag lager moet uitvallen en beroept zich daarbij op het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad.

Heffingsvrij vermogen 

De man stelt dat bij de berekening van het werkelijke rendement rekening moet worden gehouden met het heffingsvrij vermogen. Volgens zijn berekening mag daarom slechts een deel van de ontvangen rente worden meegenomen. Hij komt uit op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 793 in plaats van € 1.065.

Forfaitair rendement

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Volgens de rechtbank maakt de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2024 duidelijk dat bij de vaststelling van het werkelijke rendement moet worden uitgegaan van het volledige behaalde rendement op het vermogen. Daarbij vindt geen vermindering plaats wegens het heffingsvrije vermogen. Dat betekent dat in deze zaak het volledige bedrag van € 1.575 aan ontvangen rente geldt als werkelijk rendement. Omdat het forfaitaire rendement lager uitvalt dan het daadwerkelijk behaalde rendement, is geen sprake van een situatie waarin de belastingplichtige zwaarder wordt belast dan zijn werkelijke opbrengst.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7168 | 18-08-2026