Inspecteur had eerder moeten twijfelen

Een man start in 2011 met de handel in auto's. Hij schrijft zich in bij de KVK en begint vol goede moed. De handel loopt echter niet goed naast zijn drukke baan in loondienst. Al vanaf het eerste jaar lijdt hij verlies. De omzet daalt van bijna € 98.000 in 2011 naar nihil in 2014. In 2016 en 2017 is er opnieuw geen omzet, maar wel kosten. Wanneer zijn vrouw ernstig ziek wordt, stopt de man definitief. Hij erkent achteraf dat de activiteiten voortkwamen uit een hobby en nooit echt goed van de grond zijn gekomen.

Geen onderzoek

De man dient eind 2017 zijn aangifte 2016 in, met een ondernemingsverlies van ruim € 4.500. De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte. Hij vergelijkt de aangifte niet met de aangiften van voorgaande jaren en doet geen nader onderzoek. Vier maanden later draait de Belastingdienst een landelijke query vanuit het project 'bronbeoordeling en starters'. De man komt in die query terecht. Nu pas besluit de inspecteur te onderzoeken of wel sprake is van een bron van inkomen.

Voordeelverwachting

Voor een bron van inkomen gelden drie vereisten: deelname aan het economisch verkeer, het oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Aan de eerste twee vereisten is voldaan. Maar het hof oordeelt dat een objectieve voordeelverwachting ontbreekt. Vanaf de start in 2011 zijn uitsluitend negatieve resultaten behaald bij een omzet die daalde tot nihil. De activiteiten vormen daarom geen bron van inkomen. De verliezen zijn niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning.

Inspecteur had moeten twijfelen

Een inspecteur moet bij het opleggen van een aanslag de aangifte vergelijken met de gegevens in het dossier, waaronder de aangiften van voorgaande jaren. In die aangiften stond jaar na jaar verlies. De inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van het aangegeven ondernemingsverlies. Hij had vóór het opleggen van de aanslag 2016 nader onderzoek moeten doen. Door het nadere onderzoek na te laten begaat hij een ambtelijk verzuim. Dat sluit navordering uit.

Query bevestigt het verzuim

Het hof ziet een bevestiging in het feit dat de inspecteur naar aanleiding van de query wél tot onderzoek overging. Die query bevatte dezelfde informatie over de jarenlange verliezen als de aangiften. Zonder afdoende verklaring valt niet in te zien waarom de query wel aanleiding gaf tot onderzoek en de aangiften niet. De navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd. De aanslag 2017 blijft in stand, want die was nog niet definitief opgelegd toen de inspecteur het onderzoek startte.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:2734 | 20-04-2026

Inbreng niet geruisloos door gemiste voorwaarden

Twee broers drijven een koolverwerkingsbedrijf in maatschapsvorm. Op 30 maart 2020 voeren zij een omvangrijke herstructurering door. Ieder richt een persoonlijke holding op en brengt zijn maatschapsaandeel daarin in. De holdings richten vervolgens een gezamenlijke bv op waarin zij ieder 50% van de aandelen houden. De holdings brengen vervolgens hun maatschapsaandeel in die gezamenlijke bv in. Die bv richt op haar beurt een werk-bv op en brengt de onderneming daarin in. Het bedrijfspand met stille reserves blijft achter in de gezamenlijke bv. Dit alles gebeurt op dezelfde dag.

Geheel van rechtshandelingen

De inspecteur wijst het verzoek om geruisloze omzetting af. De inbreng maakt deel uit van een geheel van rechtshandelingen, gericht op overdracht van de onderneming. De geruisloze omzetting vereist dat de onderneming wordt voortgezet door de entiteit waarin wordt ingebracht. In dit geval is dat de persoonlijke holding, maar die zet de onderneming niet voort. De onderneming belandt uiteindelijk in de werk-bv.

Geen fiscale eenheid, geen bedrijfsfusie

Het Besluit geruisloze omzetting biedt een escape: de dooroverdracht staat niet in de weg aan de faciliteit als sprake is van een fiscale eenheid of een bedrijfsfusie. Bij een belang van 50% is een fiscale eenheid tussen de persoonlijke holding en de gezamenlijke bv echter niet mogelijk. De bedrijfsfusiefaciliteit biedt evenmin soelaas. Door de onmiddellijke doorinbreng bij de holdings is geen sprake van een uit organisatorisch oogpunt onafhankelijke exploitatie. Het achtergebleven bedrijfspand kwalificeert niet als tak van bedrijvigheid.

Fout van de adviseur

De broers doen een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Materieel gaat geen belastingclaim verloren. Bovendien heeft hun adviseur verzuimd tijdig een fiscale eenheid aan te vragen. Dat kan hen toch niet worden aangerekend? De rechtbank gaat hier niet in mee. De inspecteur heeft bij de toepassing van het Besluit geruisloze omzetting geen discretionaire bevoegdheid. Het Besluit biedt geen ruimte voor een belangenafweging. De inspecteur toetst alleen of aan de voorwaarden is voldaan. Dat is niet het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Dat de inspecteur de aanslag aan de gezamenlijke bv conform de aangifte heeft opgelegd, kan bij de broers geen vertrouwen wekken.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:2151 | 02-03-2026

Compromis over box 3 blijft staan

Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. De inspecteur wil het compromis vervolgens openbreken, maar het hof houdt hem aan de afspraak. Wie een compromis sluit, aanvaardt de kans dat latere jurisprudentie anders uitpakt.

Overeenstemming ter zitting

De aanslag IB/PVV 2018 vermeldt een box 3-inkomen van € 147.253. De inspecteur vermindert dat bedrag later naar € 63.621. De man is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Tijdens de zitting bij de rechtbank bereiken zij overeenstemming. Zij stellen het werkelijk rendement vast op € 855. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de inspecteur tot betaling van wettelijke rente.

Inspecteur wil terugkomen op afspraak

De inspecteur gaat in hoger beroep. Hij stelt dat het overeengekomen bedrag van € 855 inclusief aftrek van bankkosten is berekend. Op 6 juni 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. Volgens de inspecteur moet het werkelijk rendement daarom € 1.738 bedragen in plaats van € 855.

Afspraak blijft gelden

Het hof houdt de inspecteur aan de afspraak. De man en de inspecteur wilden het geschil afronden en onzekerheid voorkomen. Daarmee hebben zij een bindende afspraak gesloten. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat deze afspraak nietig of vernietigbaar is. Door akkoord te gaan, heeft hij ook het risico geaccepteerd dat latere rechtspraak anders zou uitpakken. 

Geen rentevergoeding

Op één punt krijgt de inspecteur wel gelijk. De rechtbank had bepaald dat hij wettelijke rente moest betalen over de periode tussen betaling en teruggaaf. Het hof vernietigt dit deel van de uitspraak. Volgens de Hoge Raad biedt de vermindering van belasting al voldoende herstel, ook zonder rente. Alleen als de rente hoger is dan de vermindering, geldt een uitzondering. Daarvan is hier geen sprake.

Compromis is compromis

Deze uitspraak bevestigt dat een compromis bindend is, ook als latere rechtspraak een gunstigere uitkomst oplevert. Dat geldt voor beide partijen. Wie zekerheid koopt, aanvaardt de kans dat het achteraf anders had gekund.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:805 | 24-03-2026