Inbreng niet geruisloos door gemiste voorwaarden

Twee broers drijven een koolverwerkingsbedrijf in maatschapsvorm. Op 30 maart 2020 voeren zij een omvangrijke herstructurering door. Ieder richt een persoonlijke holding op en brengt zijn maatschapsaandeel daarin in. De holdings richten vervolgens een gezamenlijke bv op waarin zij ieder 50% van de aandelen houden. De holdings brengen vervolgens hun maatschapsaandeel in die gezamenlijke bv in. Die bv richt op haar beurt een werk-bv op en brengt de onderneming daarin in. Het bedrijfspand met stille reserves blijft achter in de gezamenlijke bv. Dit alles gebeurt op dezelfde dag.

Geheel van rechtshandelingen

De inspecteur wijst het verzoek om geruisloze omzetting af. De inbreng maakt deel uit van een geheel van rechtshandelingen, gericht op overdracht van de onderneming. De geruisloze omzetting vereist dat de onderneming wordt voortgezet door de entiteit waarin wordt ingebracht. In dit geval is dat de persoonlijke holding, maar die zet de onderneming niet voort. De onderneming belandt uiteindelijk in de werk-bv.

Geen fiscale eenheid, geen bedrijfsfusie

Het Besluit geruisloze omzetting biedt een escape: de dooroverdracht staat niet in de weg aan de faciliteit als sprake is van een fiscale eenheid of een bedrijfsfusie. Bij een belang van 50% is een fiscale eenheid tussen de persoonlijke holding en de gezamenlijke bv echter niet mogelijk. De bedrijfsfusiefaciliteit biedt evenmin soelaas. Door de onmiddellijke doorinbreng bij de holdings is geen sprake van een uit organisatorisch oogpunt onafhankelijke exploitatie. Het achtergebleven bedrijfspand kwalificeert niet als tak van bedrijvigheid.

Fout van de adviseur

De broers doen een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Materieel gaat geen belastingclaim verloren. Bovendien heeft hun adviseur verzuimd tijdig een fiscale eenheid aan te vragen. Dat kan hen toch niet worden aangerekend? De rechtbank gaat hier niet in mee. De inspecteur heeft bij de toepassing van het Besluit geruisloze omzetting geen discretionaire bevoegdheid. Het Besluit biedt geen ruimte voor een belangenafweging. De inspecteur toetst alleen of aan de voorwaarden is voldaan. Dat is niet het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Dat de inspecteur de aanslag aan de gezamenlijke bv conform de aangifte heeft opgelegd, kan bij de broers geen vertrouwen wekken.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:2151 | 02-03-2026

Compromis over box 3 blijft staan

Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. De inspecteur wil het compromis vervolgens openbreken, maar het hof houdt hem aan de afspraak. Wie een compromis sluit, aanvaardt de kans dat latere jurisprudentie anders uitpakt.

Overeenstemming ter zitting

De aanslag IB/PVV 2018 vermeldt een box 3-inkomen van € 147.253. De inspecteur vermindert dat bedrag later naar € 63.621. De man is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Tijdens de zitting bij de rechtbank bereiken zij overeenstemming. Zij stellen het werkelijk rendement vast op € 855. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de inspecteur tot betaling van wettelijke rente.

Inspecteur wil terugkomen op afspraak

De inspecteur gaat in hoger beroep. Hij stelt dat het overeengekomen bedrag van € 855 inclusief aftrek van bankkosten is berekend. Op 6 juni 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. Volgens de inspecteur moet het werkelijk rendement daarom € 1.738 bedragen in plaats van € 855.

Afspraak blijft gelden

Het hof houdt de inspecteur aan de afspraak. De man en de inspecteur wilden het geschil afronden en onzekerheid voorkomen. Daarmee hebben zij een bindende afspraak gesloten. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat deze afspraak nietig of vernietigbaar is. Door akkoord te gaan, heeft hij ook het risico geaccepteerd dat latere rechtspraak anders zou uitpakken. 

Geen rentevergoeding

Op één punt krijgt de inspecteur wel gelijk. De rechtbank had bepaald dat hij wettelijke rente moest betalen over de periode tussen betaling en teruggaaf. Het hof vernietigt dit deel van de uitspraak. Volgens de Hoge Raad biedt de vermindering van belasting al voldoende herstel, ook zonder rente. Alleen als de rente hoger is dan de vermindering, geldt een uitzondering. Daarvan is hier geen sprake.

Compromis is compromis

Deze uitspraak bevestigt dat een compromis bindend is, ook als latere rechtspraak een gunstigere uitkomst oplevert. Dat geldt voor beide partijen. Wie zekerheid koopt, aanvaardt de kans dat het achteraf anders had gekund.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:805 | 24-03-2026

Vooruitbetaalde zorgpremie geen aftrekbare schuld in box 3

Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is.  Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren. Kan zij de vooruitbetaalde zorgpremie als aftrekbare schuld in box 3 meenemen?

Aangifte en huurtoeslag

Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag. 

Verzoek om schuldenaftrek

De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag.

Geen schuld

De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 | 22-03-2026