Fictieve vervreemding aanmerkelijk belang bij overlijden

Een vrouw overlijdt in 2020. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij hij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 in aanmerking neemt. De erven van de vrouw stellen dat de vrouw geen aanmerkelijk belang had. Haar man is immers enig aandeelhouder van de holding-bv. De vrouw heeft haar enige aandeel in de holding op de dag van de oprichting overgedragen aan haar man. De wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen brengt daar volgens de erven geen verandering in.

Fictieve vervreemding

De rechtbank oordeelt dat de aandelen in de holding op het moment van het overlijden van de vrouw in de huwelijksgemeenschap vallen. Hierdoor heeft de vrouw een aanmerkelijk belang in de holding. De overgang onder algemene titel bij overlijden wordt als een fictieve vervreemding aangemerkt. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt € 241.893.

Doorschuiffaciliteit 

De erven stellen verder nog dat de doorschuiffaciliteit van toepassing is. De onderneming wordt door de man voortgezet. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Omdat de holding bv en haar dochteronderneming sinds 2015 geen activiteiten verrichten en geen omzet behalen, is er geen sprake van een materiële onderneming. Ook van een medegerechtigdheid is geen sprake. De doorschuiffaciliteit kan daarom niet worden toegepast.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:6105 | 06-07-2026

Handvol e-mails levert volledig gebruikelijk loon op

Een dga stelt dat hij vanwege hartproblemen geen werkzaamheden voor zijn bv heeft verricht. Daarom zou de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing zijn. Het hof denkt daar anders over. Uit brieven en e-mails blijkt dat de dga in het jaar in kwestie namens de bv bezwaarschriften indiende, verzoeken deed en correspondeerde met de Belastingdienst. Die administratieve werkzaamheden zijn voldoende om gebruikelijk loon in aanmerking te nemen.

Schoonheidssalon via bv

De echtgenote van de dga runt een schoonheidssalon. Na haar persoonlijke faillissement in 2016 richt de dga twee vennootschappen op om de salon met behoud van personeel voort te zetten. De echtgenote mag van de curator geen bestuurder worden, dus neemt de dga die rol op zich. Volgens de echtgenote heeft hij uitsluitend een adviserende en coachende rol en verricht hij geen daadwerkelijke arbeid. In januari 2019 wordt de dga opgenomen in het ziekenhuis met hartproblemen en een longontsteking. Zijn huisarts verklaart dat het boezemfibrilleren wordt uitgelokt door stress en dat de dga zijn leefstijl moet aanpassen.

Aangifte zonder loon

De dga doet aangifte inkomstenbelasting 2019 naar een negatief inkomen van € 2.544. De inspecteur corrigeert de aangifte met een gebruikelijk loon van € 26.470, gelijk aan het loon van de meestverdienende werknemer: de echtgenote. Na bezwaar wordt het belastbaar inkomen vastgesteld op € 23.220. De dga gaat in beroep en stelt dat hij vanwege zijn gezondheid geen werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden die hij wel deed, waren volgens hem puur arbeidstherapeutisch.

Eigen correspondentie als bewijs

Uit het dossier blijkt dat de dga in 2019 als contactpersoon stond vermeld in de maandelijkse aangiften loonheffing. In maart 2019 verzocht hij namens de holding om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, stuurde hij informatie toe voor een hoorgesprek en bevestigde hij telefonisch gemaakte afspraken per e-mail. In april 2019 diende hij namens de bv bezwaar in tegen een aanslag vennootschapsbelasting en in november en december correspondeerde hij uitgebreid met de inspecteur over dat bezwaar.

Verklaringen onvoldoende

De verklaringen van de huisarts en de echtgenote veranderen dit niet. Deze verklaringen gaan over de gezondheid van de dga, maar nemen niet weg dat hij de administratieve werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De dga heeft niet bewezen dat een lager gebruikelijk loon op zijn plaats is. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat was waarmee geen loon kan worden genoten. Het hoger beroep is ongegrond.

Omvang niet getoetst

Opvallend is dat het hof niet toetst of de omvang van de werkzaamheden het gebruikelijk loon rechtvaardigt. De systematiek van de wet is hard: zodra vaststaat dat de dga enige arbeid verricht, geldt het standaardbedrag. Wil de dga een lager loon? Dan moet hij bewijzen dat dit gebruikelijk is voor vergelijkbare arbeid. Door alleen medische verklaringen over te leggen in plaats van concrete gegevens over wat vergelijkbaar administratief werk waard is, laat de dga die kans liggen. De uitkomst roept wel vragen op. Een handvol brieven en e-mails levert een belastbaar loon op van ruim € 26.000.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4305 | 22-06-2026

Geen arbeidskorting bij ZW-uitkering na beëindigde dienstbetrekking

Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als arbeidsinkomen als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd. De wet maakt nu dus onderscheid tussen zieke werknemers met een lopende dienstbetrekking en zieke personen zonder dienstbetrekking. Voor de laatste groep, waaronder mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte is beëindigd, telt de ZW-uitkering niet langer mee voor de arbeidskorting.

Arbeidskorting terugbetalen 

Een man trad in 1992 in dienst bij zijn inmiddels ex-werkgever. In april 2021 sluiten zij een vaststellingsovereenkomst, waarin zij overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In mei 2021 meldt de man zich ziek. Vanaf dat moment ontvangt de man een ZW-uitkering tot mei 2023. In zijn aangifte 2022 geeft de man deze inkomsten aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur stelt de aanslag echter vast op basis van inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de man geen recht heeft op arbeidskorting. 

Eigenrisicodrager 

De man maakt bezwaar. Volgens hem is er nog sprake van een dienstbetrekking. Hij voert aan dat een wettelijk ontslag niet kan ingaan tijdens een ziekteperiode. Tevens verwijst hij naar de loonspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven (2021-2023), waarin hij als 'werknemer' wordt aangeduid en waarop 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' staat vermeld. De inspecteur stelt dat de dienstbetrekking op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De ZW-uitkering wordt door de ex-werkgever als eigenrisicodrager uitgekeerd en niet in het kader van een lopende dienstbetrekking. 

Geen recht op arbeidskorting 

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De dienstbetrekking is per 1 september 2021 beëindigd via de vaststellingsovereenkomst. De man heeft geen bewijs geleverd dat deze overeenkomst ongeldig of herroepen is. De vermeldingen op de loonspecificaties en jaaropgaven, zoals 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' of 'werknemer', zijn niet doorslaggevend. De loonspecificatie vermeldt namelijk ook de functie 'ZW-uitkeringsgerechtigde'. De ex-werkgever ging uit van een dienstbetrekking tot 1 september 2021, maar niet daarna. De rechtbank merkt op dat de man bij herstel na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, aangezien de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Aangezien het hier niet gaat om een ZW-uitkering met een lopende dienstbetrekking, telt de uitkering niet mee als arbeidsinkomen. Hierdoor bestaat er geen recht op arbeidskorting.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5042 | 25-06-2026