Adviseur vraagt per ongeluk kleineondernemersregeling aan

Een algemene machtiging voor het doen van aangiften omvat volgens de rechtbank óók de bevoegdheid om regelingen zoals de KOR aan te vragen. Ondernemers kunnen zich niet verschuilen achter een fout van hun adviseur. De wettelijke minimumtermijn van drie jaar is strikt. Ook het verlenen van een teruggaaf wekt geen gerechtvaardigd vertrouwen, zeker niet wanneer beëindiging van de KOR eerder nadrukkelijk is geweigerd.

Naheffing

Een adviseur meldt in november 2019 een van zijn klanten aan voor deelname aan de KOR. Ruim een jaar later verzoekt de adviseur om beëindiging van de KOR. Hij zou de regeling abusievelijk hebben aangevraagd. De inspecteur weigert dit. De adviseur heeft niet het juiste afmeldformulier gebruikt en daarbij is de wettelijke minimumtermijn van drie jaar nog niet verstreken. 

Op 21 mei 2021 verleent de inspecteur, conform de ingediende aangifte over 2020, een teruggaaf. Ruim twee jaar later legt de inspecteur alsnog een naheffingsaanslag op, bestaande uit de eerder verleende teruggaaf plus de door de ondernemer in rekening gebrachte omzetbelasting.

Was de adviseur wel bevoegd?

De ondernemer stelt dat zij de deelname aan de KOR niet heeft aangevraagd en ook niemand heeft gemachtigd om dit voor haar te doen. De rechtbank oordeelt dat de toepassing van de KOR zodanig samenhangt met het doen van aangiften omzetbelasting dat de machtiging moet worden geïnterpreteerd als mede betrekking hebbend op de aanvraag van deelname aan de KOR. De adviseur heeft zelf aangegeven dat hij abusievelijk de KOR heeft aangevraagd, niet dat hij daartoe niet bevoegd was.

De ondernemer verklaart bij de rechtbank dat zij zich niet kan herinneren dat zij de bevestigingsbrieven heeft gezien, maar dat het in theorie denkbaar is dat zij de brieven heeft ontvangen. Niet blijkt dat zij actie heeft ondernomen om de aanmelding ongedaan te maken. De rechtbank leidt hieruit af dat de ondernemer en haar adviseur oorspronkelijk wel van mening waren dat de adviseur bevoegd was.

Beroep op vertrouwensbeginsel faalt

De ondernemer betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat de verleende teruggaaf juist was. De rechtbank oordeelt dat niet blijkt dat de ondernemer voor 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften. Voor 2022 ontvangt zij wel een uitnodiging, maar kort daarna volgt een brief dat deze abusievelijk is verzonden, omdat zij in 2022 nog deelneemt aan de KOR.

Belangrijker in deze uitspraak is dat de inspecteur voorafgaand aan de teruggaafbeschikking tot tweemaal toe nadrukkelijk heeft geweigerd de deelname aan de KOR te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat de ondernemer aan het enkel volgen van de ingediende aangifte niet het vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur toch een ander standpunt had ingenomen.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:8458 | 30-11-2025

Crediteurenakkoord met finale kwijting leidt tot naheffing btw

Een bv in financiële nood sluit een akkoord met haar crediteuren. Zij betaalt 20% van de openstaande facturen en krijgt daarvoor finale kwijting. De inspecteur legt een naheffingsaanslag btw op van ruim € 108.000. Volgens hem moet de eerder afgetrokken voorbelasting worden terugbetaald voor zover de facturen niet zijn voldaan. De bv stelt dat finale kwijting juridisch als betaling geldt. Moet de bv de btw terugbetalen? 

Sanering om continuïteit te redden

Eind 2020 kan de bv niet meer aan haar financiële verplichtingen voldoen. Een investeerder is bereid geld te verstrekken, maar stelt als voorwaarde dat de schuldenlast fors wordt gereduceerd. De bv doet haar crediteuren een voorstel. Zij betaalt 20% van elke openstaande vordering en krijgt daarvoor finale kwijting. Het restant wordt kwijtgescholden. Met sommige crediteuren maakt de bv aanvullende afspraken, zoals waarborgsommen, afnameverplichtingen en kortere betalingstermijnen voor toekomstige leveringen. Begin 2021 bereikt de bv met alle crediteuren een akkoord.

Finale kwijting is geen betaling

De rechtbank wijst het standpunt van de bv af. Zodra vaststaat dat zij de vergoeding niet zal betalen, moet de bv de afgetrokken voorbelasting terugbetalen. De rechtbank oordeelt dat hier sprake is van een kwijtschelding. De enkele omstandigheid dat in de akkoordverklaring wordt gesproken over een finale kwijting, maakt niet dat er geen sprake kan zijn van een kwijtschelding.

Aanvullende afspraken helpen niet

De bv betoogt subsidiair dat de aanvullende afspraken met sommige crediteuren een hogere betaling inhouden. Zij wijst op waarborgsommen, afnameverplichtingen en verkorte betalingstermijnen. De rechtbank verwerpt ook dit standpunt. Uit de stukken is niet af te leiden of partijen een bepaalde waarde aan de voornoemde afspraken hebben toegekend en wat die waarde zou moeten zijn. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat een hoger bedrag is betaald dan de 20% uit het basisakkoord.

Wel pleitbaar standpunt, geen boete

De inspecteur had ook een verzuimboete opgelegd, maar de rechtbank heeft deze vernietigd. Volgens de rechtbank bestaat er onduidelijkheid over de kwalificatie van de met de crediteuren gesloten overeenkomsten en de gevolgen daarvan voor de aftrekbaarheid van de voorbelasting. Het standpunt van de bv was daarom pleitbaar, ook al kreeg zij inhoudelijk ongelijk.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:8088 | 18-11-2025

Wel of geen btw bij kortstondig verhuren voor verkoop?

Bij overdracht van een onderneming of een zelfstandig deel daarvan hoeft geen btw te worden berekend. Steeds meer projectontwikkelaars verhuren daarom nieuwbouw kort voor verkoop en stellen dat zij een onderneming overdragen. Maar geldt dit ook als het pand puur is ontwikkeld voor verkoop en verhuur slechts dient om de prijs op te drijven? De Hoge Raad twijfelt en legt vragen voor aan het Hof van Justitie van de EU (HvJ).

Van kantoor naar appartementen

In 2015 koopt een ontwikkelaar een kantoorpand voor € 2,5 miljoen met het plan om het om te bouwen tot appartementen en te verkopen. Nog vóór de verbouwing schakelt hij een makelaar in om verhuur voor te bereiden, omdat een verhuurd complex meer oplevert. Na de transformatie naar 77 appartementen en 93 parkeerplaatsen in 2017 sluit de ontwikkelaar snel huurcontracten van minimaal een jaar. Een maand later verkoopt hij het complex voor € 12,7 miljoen.

De btw-truc die mogelijk niet werkt

Normaliter moet bij levering van nieuwbouw binnen twee jaar na ingebruikname btw worden betaald. Bij € 12,7 miljoen gaat het om ruim € 2 miljoen btw. De ontwikkelaar probeert dit te vermijden door te stellen dat hij geen vastgoed, maar een verhuuronderneming overdraagt. De Belastingdienst ziet dit anders. Het complex is ontwikkeld voor verkoop, niet voor duurzame exploitatie. Die paar maanden verhuur zijn slechts een trucje om btw te ontwijken en de inspecteur legt een naheffing op.

Gerechtshof geeft ontwikkelaar gelijk

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt verrassend. De huurcontracten en servicecontracten zijn gesloten voordat een koper zich meldde. Op dat moment exploiteert de ontwikkelaar een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Dat de ontwikkelaar misschien altijd al wilde verkopen, doet volgens het hof niet ter zake.

Hoge Raad legt het dilemma aan Europa voor

De Hoge Raad ziet echter een fundamenteel probleem. Moet worden gekeken naar wat feitelijk wordt overgedragen (een verhuurd complex) of naar de intentie van de verkoper (projectontwikkeling voor verkoop)? En hoe zit het met btw-vrijgestelde verhuur van woningen? De Hoge Raad stelt twee vragen aan het HvJ. Ten eerste vraagt de Hoge Raad of de regeling voor de overdracht van een onderneming ook geldt als het vastgoed uitsluitend voor btw-vrijgestelde verhuur werd gebruikt. Ten tweede vraagt de Hoge Raad of de intentie van de ontwikkelaar relevant is, of dat alleen telt dat het pand verhuurd wordt overgedragen.

Vastgoedmarkt wacht in spanning af

Als het HvJ oordeelt dat de intentie niet van belang is, staat de deur wagenwijd open voor btw-planning. Ontwikkelaars kunnen miljoenen besparen door op het juiste moment te handelen. Acht het HvJ de intentie wel relevant, dan worden veel vastgoedtransacties alsnog belast. Voor bestaande geschillen over soortgelijke constructies adviseert de Hoge Raad om procedures aan te houden. Het antwoord van het HvJ wordt richtinggevend voor de vastgoedsector.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2025:1732 | 20-11-2025