Betalingen zonder tegenprestatie zijn niet aftrekbaar

Wie via zijn bv betalingen doet aan andere bedrijven, mag deze kosten alleen aftrekken als daar een zakelijke prestatie tegenover staat. Volgens een recent arrest mogen betalingen op basis van valse facturen niet worden afgetrokken. Als iemand tegenstrijdige verklaringen aflegt over de werkzaamheden en geen enkel bewijs overlegt, kan dit betekenen dat hij crimineel geld witwast via zijn bv.

Accountant betaalt tienduizenden euro's zonder bewijs

Een registeraccountant is enig aandeelhouder van een bv. Deze bv betaalt in 2014 en 2015 in totaal € 27.420 aan twee andere bedrijven. De man kan niet uitleggen waar deze betalingen voor zijn. Er zijn geen duidelijke overeenkomsten, geen urenverantwoordingen en geen concrete beschrijvingen van het werk. De Belastingdienst start een onderzoek nadat uit onderschepte berichten blijkt dat criminelen praten over het witwassen van geld via facturen. Een van hen gebruikt letterlijk het woord 'witwassen'.

Tegenstrijdige verklaringen

De accountant verklaart verschillend over wat de andere bedrijven voor hem hebben gedaan. Eerst zegt hij dat het gaat om ICT-advies en softwareontwikkeling. Later zegt hij dat het om commerciële ondersteuning gaat. Weer later beweert hij dat het om netwerkapparatuur gaat. Ook anderen verklaren tegenstrijdig. De eigenaar van een van de bedrijven die de betalingen ontving, weet zelf niet meer wat het project inhield. De vader van deze eigenaar zegt dat zijn zoon nooit voor de accountant heeft gewerkt. De vrouw van de accountant verklaart dat de bedrijven voor zover zij weet geen werk hebben verricht.

Verhulling van werkelijke aard betalingen

Het hof oordeelt dat geen enkel bewijs is geleverd dat daadwerkelijk werk is verricht. Bij betalingen van tienduizenden euro’s zouden normaal gesproken e-mails, offertes, rapporten of andere documenten aanwezig moeten zijn, maar die ontbreken volledig. Het hof acht het zelfs buiten redelijke twijfel dat de accountant de werkelijke aard van de betalingen heeft verhuld. De betalingen dienden waarschijnlijk om crimineel geld wit te wassen. De bv van de accountant behaalde legitieme winsten, waardoor met valse facturen geld kon worden 'afgeroomd'.

Geen aftrek en boete

Betalingen zonder tegenprestatie zijn niet zakelijk. Deze dienen alleen de persoonlijke belangen van de aandeelhouder. De Belastingdienst mag de aftrek van de kosten weigeren. Ook de btw op de valse facturen mag niet worden afgetrokken. Voor aftrek van btw moet sprake zijn van een echte levering of dienst. Bij valse facturen is daarvan geen sprake.

Daarnaast legt de Belastingdienst een boete op. Als registeraccountant wist de man dat hij alleen zakelijke kosten mocht aftrekken. Door bewust valse facturen in de administratie te verwerken, heeft hij willens en wetens te weinig belasting betaald.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2025:2601 | 22-09-2025

Onvoldoende bewijs voor btw-aftrek appartement

Wie een appartement met woonbestemming aanschaft en daarvoor btw-aftrek wil claimen, moet ervoor zorgen dat hij over zeer overtuigend bewijs beschikt dat het pand niet als woning wordt gebruikt. Dit blijkt uit een recente uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden. Een projectontwikkelingsbedrijf koopt in 2019 een luxe appartement van 160 m² aan de Nederlandse kust voor € 295.041 inclusief btw. Het appartement wordt met btw-optie verhuurd aan een zustervennootschap. De onderneming claimt aftrek btw van ruim € 280.000. Het appartement heeft alle kenmerken van een woning: drie slaapkamers, twee badkamers, een volledig ingerichte keuken met kookeiland, open haard en balkon met zeezicht. De bestuurder gebruikt het naar eigen zeggen uitsluitend voor zakelijke besprekingen, overnachtingen tijdens werkbezoeken en als uitvalsbasis voor projectontwikkeling.

Feitelijk gebruik

Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat het appartement uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Het bewijs schiet tekort. Het appartement is volledig als luxe woning ingericht. De twee overgelegde zwart-witfoto's tonen slechts een bureau en vergadertafel, maar geven geen beeld van de volledige inrichting. Het agenda-extract is achteraf opgesteld zonder objectieve ondersteuning zoals kilometeradministratie of rekeningafschriften. De bestuurder heeft daarnaast als enige een sleutel en de huurder heeft geen personeel. Het feitelijk gebruik is bepalend, niet de formele bestemming.

Gelijkheidsbeginsel faalt

Twee andere appartementen in hetzelfde complex hebben wel btw-aftrek gekregen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de gevallen niet vergelijkbaar zijn. Deze eigenaren hebben elders woonruimte in dezelfde plaats. Zij wonen zelfs naast het kantoorappartement. Daarnaast heeft een van de appartementen geen keuken.

Bewijslast 

Deze uitspraak bevestigt de hoge bewijslast bij btw-aftrek voor woningachtig vastgoed. Ondernemers moeten objectieve documentatie verzamelen van uitsluitend zakelijk gebruik, het pand duidelijk als kantoor inrichten en registraties bijhouden van zakelijke activiteiten. Extra voorzichtigheid geldt bij appartementen met een woonbestemming en luxe vastgoed in recreatiegebieden, wanneer één persoon exclusieve toegang tot het pand heeft en wanneer het pand als woning is ingericht. 

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2025:5444 | 01-09-2025

Door lang wachten met transport geen nultarief

Een paardenhandelaar verkoopt vier wedstrijdpaarden aan buitenlandse kopers en past het nultarief toe, omdat de paarden later uitgevoerd worden. Bij drie paarden ligt meer dan een half jaar tussen het moment van verkoop en het moment van uitvoer. Ondertussen nemen de paarden actief deel aan wedstrijden. De Belastingdienst is daarom van mening dat het nultarief ten onrechte is toegepast en legt een naheffingsaanslag op.

De paardenhandelaar voert aan dat sprake is van voldoende temporeel en materieel verband tussen levering en uitvoer. De handelaar klaagt bovendien over schending van het unierechtelijke verdedigingsbeginsel. De inspecteur heeft namelijk haar argumenten niet beoordeeld voordat de naheffing werd opgelegd.

De Belastingdienst houdt vol dat de levering plaatsvindt bij het sluiten van de koopovereenkomst. Volgens de inspecteur ontbreekt een voldoende verband tussen levering en uitvoer. Hij erkent weliswaar geen tijd te hebben gehad voor de beoordeling van de argumenten, maar wijst op de dreigende verjaring van de naheffingstermijn. Daarbij stelt hij dat belanghebbende te laat reageerde op het informatieverzoek, waardoor tijdsdruk ontstond.

Verdedigingsbeginsel

De rechtbank oordeelt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, maar dat dit gerechtvaardigd is door de dreigende verjaring. Weliswaar heeft de inspecteur de argumenten van de handelaar niet beoordeeld, maar de tijdsdruk is niet aan hem toe te rekenen. Immers, belanghebbende reageerde pas na zes weken op het informatieverzoek.

Leveringsmoment

Voor de toepassing van het nultarief stelt de rechtbank vast dat de levering plaatsvindt bij het sluiten van de koopovereenkomst, niet bij de uitvoer. De rechtbank baseert dit oordeel op vier concrete elementen:

  1. Directe betalingsverplichting
    Uit de koopovereenkomsten volgt dat afnemers direct de volledige koopsom verschuldigd zijn.
  2. De "as is, where is"-voorwaarde
    De rechtbank interpreteert dit als een normaal kooprechtelijk beding. Deze voorwaarde houdt in dat de koper het paard accepteert in de staat waarin het zich bevindt ten tijde van de koop. Het is geen uitstelling van eigendomsoverdracht, zoals belanghebbende beweert.
  3. Het economisch belang
    Vanaf het sluiten van de koopovereenkomsten komt het economisch belang bij de afnemers te liggen.
  4. Als eigenaar geregistreerd
    De afnemers of hun ruiters hebben meerdere ritten met de paarden gereden tussen koop en uitvoer. Daarnaast staan zij ruim voorafgaand aan de uitvoer als eigenaar geregistreerd in de internationale paardensportdatabase.

Materieel en temporeel verband

Voor drie paarden ontbreekt volgens de rechtbank voldoende verband tussen levering en uitvoer. De periodes bedragen namelijk acht maanden tot een jaar tussen het moment van levering en het moment van uitvoer. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende objectief en verifieerbaar bewijs heeft overgelegd voor een temporeel en materieel verband. Daarbij wijst het feit dat paarden tussen levering en uitvoer in verschillende landen aan wedstrijden deelnemen eerder op het tegendeel van zo'n verband.

Voor één paard is het nultarief echter wel van toepassing. Hier bedraagt de periode anderhalve maand tussen het moment van levering en het moment van uitvoer. De rechtbank acht aannemelijk dat deze periode nodig was voor quarantaineregels en het regelen van transport. Hierdoor bestaat een temporeel en materieel verband. Training en wedstrijddeelname om in topvorm te blijven verbreekt het materiële verband in dit geval niet vanwege de korte periode.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:5158 | 06-08-2025