Lening met lage rente blijkt te hoog gewaardeerd

Een financieringsvennootschap krijgt binnen het concern een vordering van $ 207,7 miljoen op een werkmaatschappij in Kazachstan. De rente ligt ver onder de marktrente en de werkmaatschappij hoeft pas in 2031 iets te betalen. Als de vennootschap in 2018 naar Hongarije verhuist, claimt zij op die vordering een verlies van $ 37,6 miljoen. Het hof vindt dat verlies niet aftrekbaar. De vordering had vanaf het begin voor een lager bedrag op de balans moeten staan en dan is er bij vertrek geen verlies.

Minder waard dan op papier

De waarde van een vordering is niet altijd gelijk aan de nominale waarde. Stel dat iemand belooft je over vijftien jaar € 100 terug te betalen, zonder rente. Een koper betaalt daar vandaag flink minder voor, want elders levert zijn geld rente op. Die lagere prijs heet de contante waarde. De werkmaatschappij betaalt 0,1 procentpunt boven het interbancaire tarief, terwijl partijen een opslag van 2,75 procentpunt zakelijk vinden. Betalen hoeft pas op 1 februari 2031. De contante waarde van de vordering is daardoor fors minder dan $ 207,7 miljoen.

Afrekenen bij vertrek

De vennootschap zet de vordering toch voor het volle bedrag op haar balans. Voor de Belastingdienst telt zij elk jaar een zakelijke rente bij haar winst. Op 25 juli 2018 verhuist haar feitelijke leiding naar Hongarije. Bij zo'n vertrek moet er worden afgerekend alsof de vennootschap haar bezittingen verkoopt tegen de werkelijke waarde. Voor de vordering is dat $ 170,1 miljoen. Het verschil met de balanswaarde neemt de vennootschap als verlies. De inspecteur weigert de aftrek.

Meteen de lagere waarde

Volgens het hof verkrijgt de vennootschap de vordering op 9 december 2016 door een overdracht binnen het concern. Een nieuwe bezitting hoort op de balans voor haar werkelijke waarde. Hier is dat de contante waarde. Doorslaggevend is dat vóór 2031 niets opeisbaar is. Daardoor staat al bij de verkrijging vast hoeveel rente de vennootschap misloopt. Elk jaar groeit de waarde daarna richting het volle bedrag, en die groei telt als winst.

Fout alsnog hersteld

De vordering staat dus sinds 2016 te hoog op de balans. Zo'n balansfout mag de inspecteur herstellen in het oudste jaar dat nog openstaat. Hier is dat 2018: over 2017 heeft hij na de rechtbankuitspraak geen belang bij hoger beroep. Op 1 januari 2018 staat de vordering daarom voor de contante waarde van $ 166,5 miljoen op de balans. Met een waarde van $ 170,1 miljoen bij vertrek is er dus geen verlies. 

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:2366 | 15-04-2026

Wie een vordering afwaardeert, moet eerst bewijzen dat die bestaat

Een afwaardering van een vordering begint niet bij de vraag of de lening zakelijk is, maar bij het dossier waaruit blijkt dat de lening bestaat. Een leningsovereenkomst, een corresponderende schuld bij de debiteur en een consequente vermelding in beide aangiften zijn geen formaliteiten, maar het bewijs zelf.

Een lening uit 2006

Een vennootschap bestaat sinds 1996 en heeft één aandeelhouder. Die aandeelhouder houdt daarnaast 50% van de aandelen in de latere debiteur, die in 2006 een voormalige slipbaan koopt. Voor die aankoop verstrekt de vennootschap naar eigen zeggen een lening. Haar jaarrekening 2017 toont per eind 2016 een vordering van € 95.397, die met bijgeschreven rente van 5% oploopt tot € 147.544. Een jaar later is die post verdwenen en loopt € 142.504 als buitengewone last door de winst-en-verliesrekening. De debiteur wordt in maart 2018 ontbonden.

Bewijslast bij de inspecteur

De inspecteur laat de last niet in aftrek toe. Hij stelt het verlies bij beschikking vast op € 116.485. Volgens hem is de vordering een onzakelijke lening, want geen derde zou dit debiteurenrisico aanvaarden. De rechtbank legt de bewijslast daarvoor bij de inspecteur en oordeelt dat de inspecteur daar niet in slaagt. Het verlies gaat conform de aangifte naar € 258.989. In hoger beroep stelt de inspecteur primair dat er geen vordering is. Dat keert de bewijspositie om.

Nergens een spoor

Wie een last opvoert, moet die zelf aannemelijk maken. De jaarrekening 2017 van de debiteur vermeldt geen corresponderende schuld. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2010 tot en met 2014 noemt geen van beide vennootschappen de lening. Ook de jaarrekening 2007 van de belastingplichtige, het jaar na de gestelde lening, toont geen vordering op de debiteur, maar alleen een deelneming en enkele kortlopende vorderingen. Dat valt niet te rijmen met een lening uit 2006 voor de slipbaan. Verdere bewijsstukken ontbreken.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4498 | 06-07-2026

Slotkoers voorafgaande maand toegestaan bij waardering dividend in vreemde valuta

Een Nederlandse bv ontvangt dividend van haar Chinese dochtermaatschappij. Zij waardeert de dividendvordering in euro's tegen de slotkoers van de maand voorafgaand aan de transactie, zoals de concernrichtlijnen voorschrijven. De inspecteur vindt dat zij de dagkoers had moeten gebruiken en legt een navorderingsaanslag op. De correctie bedraagt ruim € 7,4 miljoen. Is het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming met goed koopmansgebruik?

Dividend uit China

De bv is de Nederlandse tak van een beursgenoteerd logistiek concern en houdt belangen in meer dan 200 dochtermaatschappijen wereldwijd. In augustus 2015 keert een Chinese dochter een dividend uit, van omgerekend ruim € 106 miljoen. De uitbetaling vindt pas in november plaats, omdat de goedkeuring van de Chinese fiscale autoriteiten voor een verlaagd tarief bronbelasting op zich laat wachten. De bv activeert de dividendvordering tegen de slotkoers van juli 2015 en waardeert de ontvangen betalingen tegen de slotkoers van oktober 2015. Dat levert een koersverlies op van bijna € 2,5 miljoen.

Inspecteur wil dagkoersen

De inspecteur is het niet eens met deze werkwijze. Hij stelt dat de bv de dagkoers van de transactie had moeten hanteren en komt dan niet uit op een verlies, maar op een koerswinst van bijna € 5 miljoen. De correctie van ruim € 7,4 miljoen leidt tot een navorderingsaanslag over 2015 en doorwerking naar 2016. De inspecteur betoogt dat het waarderingssysteem van de bv in strijd is met goed koopmansgebruik, met de deelnemingsvrijstelling en met het totaalwinstbeginsel. Bovendien zou de interne concernovereenkomst onzakelijk zijn.

Waarom de slotkoers?

De bv legt uit dat alle concernonderdelen gebonden zijn aan een interne bankovereenkomst en aan concernbrede boekhoudvoorschriften. Deze schrijven voor dat transacties in vreemde valuta worden gewaardeerd tegen de slotkoers van de voorafgaande maand. Het waarderingssysteem heeft valide bedrijfseconomische redenen: de valutarisico's worden geconcentreerd bij de inhouse bank van het hoofdkantoor. Bovendien sluiten de administraties van alle concernonderdelen op deze manier goed op elkaar aan. Dit vergemakkelijkt het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening. De bv past dit systeem al decennialang bestendig toe.

Goed koopmansgebruik

De rechtbank oordeelt dat het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Bedrijfseconomische inzichten en de civielrechtelijke werkelijkheid zijn leidend, zolang geen strijd ontstaat met een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift. Daarvan is hier geen sprake. De bv heeft immers niet meer dividend ontvangen dan het in haar aangifte verantwoorde bedrag, zodat geen strijd is met de deelnemingsvrijstelling of het totaalwinstbeginsel. Dat de koers van de Chinese yuan ten opzichte van de euro grillig is, doet daar niet aan af. Het systeem beantwoordt aan zowel het realiteitsbeginsel als het eenvoudsbeginsel. De inspecteur heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de bv zich door het systeem structureel winst laat ontgaan. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4173 | 14-04-2026