Voldoende verwevenheid voor fiscale eenheid btw

Een holding verhuurt een pand inclusief inventaris aan een bv die een cafetaria en ijssalon exploiteert. De aandelen van zowel de holding als de bv zijn in handen van dezelfde persoon, die ook bestuurder is van beide. De inspecteur besluit om een fiscale eenheid vast te stellen tussen de bv en de holding. Zij voldoen aan de drie vereisten van een fiscale eenheid: financiële, organisatorische en economische verwevenheid.

Financiële verwevenheid

De aandelen in zowel de holding als de bv zijn in handen van dezelfde persoon, die hierdoor volledige zeggenschap heeft over beide vennootschappen. Dit maakt dat er sprake is van financiële verwevenheid.

Organisatorische verwevenheid

De aandeelhouder is via een andere vennootschap tevens bestuurder van zowel de holding als de bv. Dit betekent dat er sprake is van een gezamenlijke leiding, omdat hij voor beide vennootschappen beleidsbeslissingen kan nemen en hun strategieën kan bepalen.

Economische verwevenheid

De holding verhuurt een pand en inventaris aan de bv Dit resulteert in omzet uit deze onderlinge relaties. Deze economische banden zijn volgens het hof niet verwaarloosbaar, aangezien ruim 34% van de omzet van de holding afkomstig is van de bv.

Fiscale eenheid

Het hof beoordeelt deze drie verwevenheden in samenhang en concludeert dat de holding en de bv, ondanks hun juridische zelfstandigheid, zodanig met elkaar verbonden zijn dat zij voor de omzetbelasting als één ondernemer moeten worden aangemerkt. Dit rechtvaardigt het bestaan van een fiscale eenheid.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3540 | 09-12-2025

Gerechtshof: Uber chauffeurs zijn niet altijd werknemer

Het gerechtshof Amsterdam wijst de vorderingen van FNV dat alle chauffeurs of groepen van chauffeurs van Uber werknemer zijn af. Het hof oordeelt dat de zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber mee procedeerden, zelfstandig ondernemer en geen werknemer zijn. Factoren die hierbij onder meer van belang zijn: de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals voor hun auto), de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken, de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten, en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Het hof overweegt verder dat het wel mogelijk is dat individuele chauffeurs van Uber werken op basis van een arbeidsovereenkomst. In deze procedure heeft het hof dat niet voor individuele chauffeurs of groepen van chauffeurs kunnen vaststellen.

De rechtbank besliste eerder dat alle Uber-chauffeurs werknemers zijn. Daarop ging Uber in hoger beroep. In het hoger beroep stelde het gerechtshof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Die hadden betrekking op de betekenis van ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie en op de procedure om die kwalificatie voor een groep werkenden vast te stellen. De Hoge Raad antwoordde dat hij in zijn Deliveroo-arrest geen rangorde heeft willen aanbrengen in de daarin genoemde relevante omstandigheden, dat dat ook geldt voor ondernemerschap, en dat het zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie van de ene werkende anders te kwalificeren valt dan ten aanzien van andere werkenden die dezelfde werkzaamheden verrichten. Volgens de Hoge Raad kan de rechter geen algemeen oordeel over de kwalificatie geven indien de individuele omstandigheden van de (groepen) werkenden daarvoor te veel uiteenlopen. Voor zover er wel een oordeel kan worden gegeven voor bepaalde (groepen) werkenden, kan de rechter dit in de beslissing van de uitspraak tot uitdrukking brengen.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:163 | 26-01-2026

Zonder klanten geen ondernemer

Een tandarts ontwikkelt een methode om mensen met tandartsangst te behandelen met paarden. Na zes jaar en € 278.000 euro verlies weigert de Belastingdienst verdere aftrek. Het hof bevestigt dat er zonder concrete acquisitieplannen en klanten geen sprake is van een onderneming. De droom blijft een hobby.

Van tandartspraktijk naar paardenmethode

Tot 2017 runt de tandarts een succesvolle praktijk. Ze ontwikkelt een innovatieve methode waarbij paarden worden ingezet bij de behandeling van tandartsangst. In 2015 start ze hiervoor een aparte eenmanszaak. Na verkoop van de tandartspraktijk in 2017 richt ze zich volledig op de paardenmethode. De cijfers zijn dramatisch. Van 2017 tot 2022 draait de onderneming alleen maar verlies. De omzet is miniem: € 589 in 2020, het jaar waarover deze zaak gaat. De tandarts houdt acht paarden, vier pony’s, vijf ezels en diverse honden, maar behandelt nauwelijks cliënten.

Belastingdienst trekt de stekker eruit

In maart 2023 schrijft de inspecteur dat hij de activiteiten vanaf 2020 niet meer als bron van inkomen accepteert. De omzet is minimaal, terwijl de kosten torenhoog zijn. Een redelijke winstverwachting ontbreekt. Het verlies over 2020 mag niet worden afgetrokken. De tandarts protesteert. Ze wijst op haar bedrijfsplan, de mogelijkheden voor behandelsessies, opleidingen en licenties. De coronapandemie heeft roet in het eten gegooid. Bovendien volgt elke innovatie het S-curve-model: eerst verliezen, dan groeien.

Hof: potentieel zonder plan is onvoldoende

Het hof oordeelt dat de tandarts wel heeft uitgelegd wat het opbrengstpotentieel is, maar niet hoe ze dit gaat realiseren. Er zijn geen concrete acquisitieplannen aanwezig. Het merk is geregistreerd, maar dat alleen genereert geen omzet. Ook het in 2020 geschreven boek helpt niet. De tandarts onderbouwt niet hoe dit tot meer klanten leidt. De belangstelling uit de tandheelkundige wereld blijft vaag. Concrete samenwerkingen komen niet van de grond. Het verwachte scenario met licentie-inkomsten en opleidingen blijkt luchtfietserij.

Corona en S-curve redden het niet

Het coronaverweer faalt. Ook na de pandemie blijven de resultaten negatief. In 2023 bedraagt het verlies nog € 6.046. De S-curvetheorie (eerst verliezen bij innovatie, dan groei) overtuigt evenmin. Zonder concrete aanknopingspunten voor succes blijft het wishful thinking. Het houden van paarden en andere dieren maakt nog geen onderneming. Dit kan evengoed privé zijn.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 | 28-10-2025