Nieuwe bank Belastingdienst

Per 1 mei 2026 heeft de Belastingdienst nieuwe rekeningnummers. Dit komt door de overstap van ING naar Rabobank. Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer is: NL04 RABO 0200 1122 44. Het nieuwe rekeningnummer staat op de website en in de berichten die de Belastingdienst stuurt. Ook worden de belastingteruggaven overgemaakt vanaf het nieuwe rekeningnummer.

In veel gevallen verloopt de overgang automatisch. Of actie nodig is, hangt af van de manier waarop betalingen worden gedaan. 

Betalen via iDEAL | Wero

Bij betalingen via iDEAL | Wero in het overzicht betalen en ontvangen wordt automatisch het nieuwe rekeningnummer gebruikt. Hiervoor is geen aanpassing nodig.

Automatische incasso

Ook bij automatische incasso verandert er niets. De Belastingdienst zet de incasso zelf om naar het nieuwe rekeningnummer.

Internetbankieren

Bij betalingen via internetbankieren is het belangrijk om per 1 mei 2026 het nieuwe rekeningnummer te gebruiken dat wordt vermeld in de betaalinformatie bij een belastingaanslag of rekening. Daarnaast is het verstandig het bestaande rekeningnummer in het adresboek van het internetbankieren aan te passen.

Papieren overboekingsformulier

Bij gebruik van een papieren overboekingsformulier moet per 1 mei 2026 eveneens het nieuwe rekeningnummer worden gebruikt dat staat vermeld op de betaalinformatie bij de aanslag of rekening.

Periodieke overboeking

Bij een periodieke overboeking moet het rekeningnummer worden aangepast zodra betaalinformatie met het nieuwe Rabobank‑rekeningnummer wordt ontvangen.

Bron: Belastingdienst | persbericht | 15-04-2026

Tariefmaatregel partneralimentatie: belasting hoger dan aftrek

Voor zover iemands inkomen uit werk en woning zonder de aftrekposten in de hoogste tariefschijf valt, geldt een lager tarief voor de aftrekposten. Dit wordt de tariefmaatregel genoemd. De inspecteur past bij het opleggen van de aanslagen de tariefmaatregel toe bij een man die in 2021 en 2022 alimentatie aan zijn ex-partner betaalt. Dit resulteert in een tariefsaanpassing van 6,5% (2021) en 9,5% (2022) in de hoogste schijf.

De man stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn, zonder toepassing van de tariefmaatregel. De betalingen worden bij zijn ex immers ook progressief belast. De rechtbank oordeelt dat de tariefmaatregel rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Afwijking is slechts bij hoge uitzondering mogelijk. De wetgever heeft de gevolgen van de tariefmaatregel, inclusief het verschil in tarief voor betaler en ontvanger van partneralimentatie, expliciet overwogen. Ook de stelling over discriminatie en eigendomsrecht wordt verworpen, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gemaakte keuzes niet onredelijk zijn. 

De man stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is daar in deze situatie geen sprake van. De alimentatieovereenkomst is in 2021 gesloten, terwijl de tariefmaatregel al in 2020 werd ingevoerd. De rechtbank concludeert dat de tariefmaatregel terecht is toegepast.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 | 15-03-2026

Ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen

Wie dividendbelasting inhoudt, moet die ook afdragen. Het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd is, helpt niet. Dat verweer had de bv moeten voeren door bezwaar te maken tegen haar eigen afdracht, niet door de afdracht simpelweg achterwege te laten.

Internationale structuur

Een Nederlandse bv maakt deel uit van een internationale structuur. Via een Luxemburgse vennootschap ontvangt zij dividenden van € 300 miljoen. Die dividenden keert zij vrijwel volledig uit aan een Britse vennootschap. Op papier houdt de bv 15% dividendbelasting in: bijna € 45 miljoen. Maar zij draagt niets af. In haar aangifte claimt zij een vermindering ter grootte van de Luxemburgse bronbelasting die op de ontvangen dividenden zou drukken. Het probleem is dat die Luxemburgse belasting elders in de structuur volledig werd teruggevraagd. Per saldo betaalde niemand belasting.

Kunstmatige constructie

De inspecteur stelt een onderzoek in en legt een naheffingsaanslag op van bijna € 45 miljoen, plus een boete van ruim € 22 miljoen. De bv maakt bezwaar. In een eerdere procedure over de vennootschapsbelasting had het hof al geoordeeld dat de bv slechts een dienstverlenende rol speelt in een volstrekt kunstmatige structuur. De dividenden behoren niet tot haar winst. Op basis van die uitspraak vernietigt de rechtbank de naheffingsaanslag. Als er geen echte dividenden bestaan, hoeft er ook geen dividendbelasting te worden ingehouden.

Hof: ingehouden is ingehouden

De inspecteur gaat in hoger beroep en krijgt gelijk. Het hof wijst op een belangrijk onderscheid. De bv heeft zelf besloten dividend uit te keren en heeft zelf dividendbelasting ingehouden. Dat blijkt uit de dividendnota's. Uit de wet volgt dat degene die dividendbelasting inhoudt, deze ook moet afdragen. Zelfs als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden. De bv kan zich als inhoudingsplichtige niet verweren met het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd was. Daarvoor had zij bezwaar moeten maken tegen haar eigen afdracht.

Geen recht op vermindering

De bv had de afdracht achterwege gelaten door een vermindering te claimen voor buitenlandse bronbelasting. Maar die vermindering geldt alleen als de buitenlandse belasting daadwerkelijk drukt op de ontvangen dividenden. Dat is hier niet het geval. De Luxemburgse belasting werd in dezelfde structuur teruggevraagd en uit interne aantekeningen en e-mails blijkt dat de bestuurders van de bv dit wisten. Zij kozen er bewust voor de vermindering toch te claimen.

Boete blijft in stand

Het hof oordeelt dat de bv opzettelijk te weinig belasting heeft afgedragen. De bestuurders werkten nauw samen met de buitenlandse partijen en waren volledig op de hoogte van het kunstmatige karakter van de structuur. Zij wisten dat per saldo geen Luxemburgse belasting werd betaald. Toch claimden zij de vermindering. Dat de bv zich liet bijstaan door een belastingadvieskantoor, maakt het standpunt niet pleitbaar. De boete van 50% is passend, ook al gaat het om ruim € 22 miljoen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:169 | 23-03-2026