Selectie door algoritme leidt niet tot onrechtmatig bewijs

Een administratiekantoor wordt geselecteerd voor controle door het algoritme 'OB Negatief'. De eigenaar stelt dat dit onrechtmatig is en dat alle bevindingen daarom moeten worden uitgesloten. De rechtbank oordeelt anders. Algoritmische selectie is niet per definitie onrechtmatig. Zolang de uiteindelijke beslissing door een mens wordt genomen en geen discriminerende criteria worden gebruikt, mag de Belastingdienst dit hulpmiddel inzetten. Wie vervolgens geen concrete bezwaren tegen de correcties aanvoert, trekt aan het kortste eind.

Teruggaafverzoek leidt tot boekenonderzoek

Een bv verleent administratieve en fiscale diensten aan ondernemingen. De eigenaar verzorgt zelf de boekhouding en doet de btw-aangiften. Na een verzoek tot teruggaaf over het vierde kwartaal 2022 selecteert het systeem van de Belastingdienst de bv voor controle. Het gaat om het risicoselectiemodel 'OB Negatief'; een algoritme dat negatieve btw-aangiften beoordeelt op de kans dat ze onjuist zijn. De Belastingdienst stelt daarna een boekenonderzoek in over de jaren 2018 tot en met 2022.

Naheffingen en boetes

Het onderzoek leidt tot naheffingen van in totaal ruim € 64.000. De inspecteur constateert dat de bv voorbelasting heeft afgetrokken voor uitgaven die privé van aard zijn. Daarnaast legt hij over de jaren 2019 tot en met 2022 vergrijpboetes op van 25%. De eigenaar maakt bezwaar, maar de inspecteur houdt grotendeels vast aan de correcties.

Algoritme zou onrechtmatig zijn

In beroep trekt de eigenaar alle registers open. Hij stelt dat het algoritme in strijd is met de AVG en Europese rechtspraak. Het zou gaan om volledig geautomatiseerde besluitvorming zonder menselijke tussenkomst. Bovendien stond het algoritme niet in het Algoritmeregister. De selectie zou hierdoor onrechtmatig zijn en daarom zouden alle bevindingen moeten worden uitgesloten. Ook klaagt hij over onrechtmatig binnentreden van zijn woning bij het inleidend gesprek en tot slot over het achterhouden van stukken.

Rechtbank: geen onrechtmatigheid

De rechtbank volgt de eigenaar niet. De Belastingdienst ontvangt jaarlijks 2,6 miljoen negatieve btw-aangiften. Die kunnen niet allemaal handmatig worden beoordeeld. Het algoritme selecteert aangiften met een hogere kans op onjuistheid voor nadere beoordeling door een medewerker. Een mens neemt altijd de uiteindelijke beslissing – wel of geen correctie. Van volledig geautomatiseerde besluitvorming is dus geen sprake. Het algoritme verwerkt alleen zakelijke gegevens zoals aangiftebedragen, betalingsgegevens en bedrijfsgegevens. Bijzondere persoonsgegevens zoals etnische afkomst worden niet gebruikt. De eigenaar heeft ook geen concrete feiten aangevoerd waaruit discriminatie of een ander onoorbaar criterium zou blijken.

Correcties terecht toegepast

De inhoudelijke correcties zijn uitgebreid onderbouwd in het controlerapport. De eigenaar volstaat met de algemene stelling dat de administratie onjuist zou zijn, maar concretiseert dit niet. Ook na inzage in de auditfiles waarop de controle is gebaseerd, benoemt hij geen specifieke fouten. De rechtbank acht de correcties aannemelijk. De boetes van 25% zijn eveneens terecht: het gaat om privé-uitgaven die als zakelijk zijn opgevoerd. Van iemand die zelf fiscale diensten verleent, mag worden verwacht dat hij dit onderscheid kent. De rechtbank spreekt van grove schuld.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:5199 | 18-02-2026

Zes weken om partnerverdeling te wijzigen

Fiscale partners kunnen hun onderlinge verdeling van box 3 nog wijzigen na een collectieve uitspraak in een massaalbezwaarprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat zij daarvoor zes weken de tijd hebben, gerekend vanaf de verminderingsbeschikking.

Box 3 en massaal bezwaar

Een man maakt bezwaar tegen zijn aanslag inkomstenbelasting 2017. Zijn bezwaar wordt aangemerkt als massaal bezwaar over de box 3 heffing. In februari 2022 volgt de collectieve uitspraak: het bezwaar is gegrond. In juli 2022 ontvangt de man een verminderingsbeschikking. Een dag later laten hij en zijn echtgenote de inspecteur weten dat zij de verdeling van hun box 3 vermogen willen wijzigen. Zij willen alles toerekenen aan de echtgenote.

Inspecteur weigert

De inspecteur weigert mee te werken. Volgens hem is de aanslag door de collectieve uitspraak onherroepelijk geworden. Daarna kan de verdeling niet meer worden gewijzigd. De rechtbank legt de kwestie voor aan de Hoge Raad.

Wanneer mag de verdeling nog worden aangepast?

Fiscale partners mogen hun onderlinge verdeling van bepaalde inkomensbestanddelen wijzigen, zolang de aanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Als een aanslag onherroepelijk wordt door een arrest van de Hoge Raad, hebben partners nog zes weken om de verdeling aan te passen. Maar geldt dat ook bij een massaalbezwaarprocedure? Daarin wordt de aanslag onherroepelijk door een collectieve uitspraak, zonder dat de belastingplichtige daar zelf iets aan kan doen.

Wetgever heeft dit over het hoofd gezien

De Hoge Raad constateert dat de wetgever bij de invoering van de massaalbezwaarprocedure geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de partnerverdeling. Een letterlijke uitleg van de wet zou betekenen dat partners na een collectieve uitspraak geen mogelijkheid meer hebben om hun verdeling te wijzigen. Dat acht de Hoge Raad onredelijk.

Pas na vermindering is er duidelijkheid

De Hoge Raad wijst erop dat partners pas een weloverwogen keuze kunnen maken als zij weten wat de cijfermatige gevolgen zijn. Bij een massaalbezwaarprocedure wordt dat vaak pas duidelijk na de verminderingsbeschikking, niet al na de collectieve uitspraak. Het zou onlogisch zijn partners die onder het massaal bezwaar vallen minder gelegenheid te geven dan partners die een individuele procedure hebben gevoerd.

Zes weken

De Hoge Raad oordeelt dat partners hun verdeling mogen wijzigen tot zes weken na de verminderingsbeschikking die de inspecteur afgeeft ter uitwerking van de collectieve uitspraak. Dat geldt als de inspecteur in de massaalbezwaarprocedure geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Een verzoek om ambtshalve vermindering biedt overigens geen extra mogelijkheid de verdeling alsnog te wijzigen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:495 | 26-03-2026

Bod op onderneming bepaalt waarde bij inbreng

Een dierenarts brengt zijn praktijk in een bv in en waardeert de goodwill op € 400.000. Kort daarvoor had een investeerder ruim € 3 miljoen geboden. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts dat bod niet zomaar mocht negeren.

Investeerder klopt aan

Een dierenarts runt samen met zijn ouders een dierenartspraktijk. Begin 2020 meldt zich een grote internationale investeerder met interesse in overname. Na uitwisseling van cijfers volgt in augustus 2020 een bod van € 3,3 miljoen plus een bonus bij toekomstige groei. De familie tekent een intentieverklaring, maar haakt tijdens het boekenonderzoek af. Ze wil de praktijk toch niet uit handen geven.

Praktijk ondergebracht in bv

Vier maanden later brengt de familie de praktijk onder in bv's. Zij kiezen voor een zogeheten ruisende inbreng: de meerwaarde van de praktijk wordt direct belast, in ruil voor een hogere boekwaarde in de bv. De dierenarts waardeert zijn aandeel op basis van de zogenoemde multiple methode, een gangbare rekenmethode in de branche. Hierbij wordt het bedrag van de veronderstelde jaarwinst vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. De totale goodwill komt uit op € 400.000. Daardoor blijft de af te rekenen winst in de aangifte beperkt.

Een jaar later alsnog verkocht

In de zomer van 2021 meldt de familie zich opnieuw bij dezelfde investeerder. Nu volgt een bod van € 5,3 miljoen. Na onderzoek wordt de praktijk verkocht voor € 4,7 miljoen plus groeibonussen.
De inspecteur vraagt zich af hoe de praktijk in december 2020 € 400.000 waard kon zijn, terwijl een serieuze koper kort daarvoor € 3,3 miljoen had geboden. Hij verhoogt de goodwill naar € 4,7 miljoen en legt een forse aanslag op.

Wat een koper biedt, is de maatstaf

De rechtbank legt uit wat 'waarde in het economisch verkeer' betekent: de prijs die de hoogstbiedende zou betalen. Uit het bod van augustus 2020 blijkt dat die waarde rond de € 3,3 miljoen lag. De door de dierenarts gehanteerde waarde van € 400.000 is niet verdedigbaar. Zijn rekenmethode hield geen rekening met de groeikansen die de investeerder zag. Het argument dat de familie helemaal niet van plan was te verkopen, doet niet ter zake. Bij inbreng in een bv gaat het om de objectieve waarde, niet om de plannen van de eigenaar. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts bewust een te lage waarde heeft gehanteerd. Hij had moeten weten dat het negeren van een concreet bod zou leiden tot een veel te lage aangifte. De inspecteur gaat uit van de verkoopprijs van 2021, wat volgens de rechtbank ook niet reëel is. Tussen de inbreng en de verkoop is een concurrent in de buurt gestopt, waardoor de verwachting over de toekomstige omzet is gestegen. Die waardestijging bestond nog niet op de inbrengdatum. De rechtbank schat de waarde op € 4 miljoen: het midden tussen het bod van 2020 en de uiteindelijke verkoopprijs.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:5203 | 09-02-2026