Doorgeefluik bij fraude: geen aftrek, wel afdracht

Een ambtenaar koopt jarenlang privégoederen op kosten van zijn werkgever. Hij schakelt daarbij een kantoorinrichtingsbedrijf in als doorgeefluik. Dat bedrijf betaalt de leveranciers, factureert door aan de gemeente met een opslag en trekt de btw op de inkoopfacturen af. De inspecteur weigert de aftrek en heft de aan de gemeente gefactureerde btw na. Hof 's-Hertogenbosch geeft de inspecteur gelijk. Het bedrijf is geen afnemer van de leveranciers en kan de ten onrechte gefactureerde btw niet herzien.

Ruim acht ton aan privé aankopen

De ambtenaar is hoofd interne diensten bij een gemeente. In die functie kan hij inkoopopdrachten verstrekken en facturen betaalbaar stellen. Hij maakt daar op grote schaal misbruik van. Hij bestelt privégoederen bij leveranciers en laat de facturen richten aan een kantoorinrichtingsbedrijf dat vaste leverancier is van de gemeente. Vervolgens vraagt hij dat bedrijf de facturen te betalen, een nieuwe factuur op te maken met een opslag van ongeveer 10% en die aan de gemeente te sturen. Hij verstrekt daarvoor opdrachtbevestigingen met vage omschrijvingen als ‘gedane werkzaamheden’ of ‘geleverde materialen’. Over de jaren 2013 tot en met 2016 gaat het om ruim € 862.000.

Geen afnemer, geen aftrek

Het hof oordeelt dat het bedrijf geen afnemer is van de leveranciers. De ambtenaar heeft zelf contact gelegd met de leveranciers en de overeenkomsten gesloten. Het bedrijf was slechts betrokken bij de administratieve en financiële afhandeling. Dat maakt het bedrijf geen commissionair. De tussenkomst ziet immers niet op de totstandkoming van de prestaties, maar op de afwikkeling van prestaties die al tot stand waren gekomen. Het bedrijf heeft daarom geen recht op aftrek van de btw die de leveranciers in rekening hebben gebracht.

Geen herziening wegens ongerechtvaardigde verrijking

Het bedrijf heeft de gemeente btw in rekening gebracht terwijl het zelf geen prestaties heeft verricht. Die btw moet zij op grond van de wet afdragen. Het hof wijst het verzoekt om herziening van die btw af. Het bedrijf heeft de facturen niet gecorrigeerd. Als de btw zou worden herzien, zou het bedrijf die btw als opbrengst verkrijgen, terwijl het aan de gemeente kenbaar had gemaakt dat de btw op aangifte zou worden voldaan. Dat levert ongerechtvaardigde verrijking op.

Suggestie van het hof

Het resultaat is een zware financiële last voor het bedrijf: geen aftrek van voorbelasting en tegelijk afdracht van de aan de gemeente gefactureerde btw. Bovendien eist de gemeente een schadevergoeding in een civiele procedure. Het hof geeft de inspecteur in overweging een eventuele schadevergoeding aan de gemeente in mindering te brengen op de naheffingsaanslag. Voor dat bedrag is dan immers geen sprake meer van ongerechtvaardigde verrijking. Tot een compromis is het echter niet gekomen.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:741 | 17-03-2026

Rechter mag altijd recente machtiging vragen, ook bij doorlopende volmacht

Een gemachtigde dient hoger beroep in met een twee jaar oude doorlopende volmacht. Het hof vraagt om een recente machtiging. De gemachtigde weigert dit en wordt vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter altijd om een recente machtiging mag vragen. Hij hoeft daarvoor geen aanwijzingen te hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee terug van een arrest uit 2013.

Doorlopende volmacht uit 2022

Een no-cure-no-pay-bureau dient hoger beroep in tegen een WOZ-beschikking voor 2022. Bij het hogerberoepschrift overlegt het bureau een machtiging van 28 februari 2022. Die machtiging is in algemene termen geformuleerd. De belanghebbende machtigt medewerkers van het bureau om hem te vertegenwoordigen in ‘alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(en)’. Het hof twijfelt of het bureau bevoegd is om de belanghebbende te vertegenwoordigen. Die twijfel baseert het hof op het tijdsverloop sinds de machtiging en op het algemene karakter ervan.

Verkeerde machtiging overgelegd

Het hof vraagt om een recente machtiging. Het bureau krijgt daartoe tweemaal de gelegenheid. Uiteindelijk stuurt het een machtiging van 18 maart 2024. Die is weliswaar recent, maar ziet op de WOZ-beschikking 2024, terwijl het geschil de WOZ-beschikking 2022 betreft. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het bureau gaat in cassatie.

Hoge Raad komt terug van eerder arrest

De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter eisen mag stellen aan de machtiging. Hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag ook vragen om een machtiging die dateert van ná de bestreden uitspraak of die specifiek ziet op de procedure bij zijn gerecht. Daarvoor is niet vereist dat de rechter aanwijzingen heeft dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee uitdrukkelijk terug van zijn arrest uit 2013.

Voorzichtigheid bij procesrechtelijke volmacht

De Hoge Raad motiveert zijn koerswijziging als volgt. De bepalingen over volmacht uit het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn buiten het vermogensrecht slechts van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Uit de parlementaire toelichting blijkt dat men met overeenkomstige toepassing op procesrechtelijke rechtshandelingen "uitermate voorzichtig" moet zijn. Dat rechtvaardigt dat de rechter strengere eisen stelt dan het BW voorschrijft.

Ook in bezwaar en cassatie

De Hoge Raad benadrukt dat deze regels gelden in bezwaar, beroep, hoger beroep én cassatie. Wie als gemachtigde optreedt, doet er goed aan te zorgen voor een actuele en specifieke machtiging. Een doorlopende volmacht van jaren geleden volstaat niet zonder meer.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:556 | 16-04-2026

Kosten eHerkenning geen excuus

Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021.

Kosten eHerkenning niet onevenredig

Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond.

Verzuimboete verminderd

De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500.

Overschrijding redelijke termijn

De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2478 | 01-04-2026