Tariefmaatregel op doorbetaald pensioen is geen discriminatie

Een belastingplichtige en zijn echtgenote gaan in 1992 uit elkaar. Hij betaalt zijn ex in 2020 en 2021 elk jaar € 4.078 uit zijn ouderdomspensioen. Die betalingen zijn aftrekbaar, maar door de tariefmaatregel niet tegen het hoogste tarief. Wie vanaf 1 mei 1995 scheidt van zijn echtgenoot heeft daar in de regel geen last van, want dan betaalt het pensioenfonds rechtstreeks aan de ex-echtgenoot. Het hof ziet in dat verschil discriminatie en schrapt de extra heffing. De Hoge Raad oordeelt dat het om ongelijke gevallen gaat, zodat de hogere heffing blijft staan.

Verrekenen onder Boon/Van Loon

De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) is op 1 mei 1995 in werking getreden en geldt door het overgangsrecht niet voor eerdere scheidingen. Daarvoor gelden de regels uit het arrest Boon/Van Loon uit 1981. De belastingplichtige ontvangt het volledige pensioen zelf en verrekent een afgesproken deel met zijn ex-echtgenote. De inspecteur staat op die betalingen de aftrek voor onderhoudsverplichtingen toe. Tegelijk past hij de tariefmaatregel toe, waardoor het voordeel beperkt blijft tot het tarief van de tweede schijf.

Hof grijpt in

Onder de hoofdregel van de Wet VPS heeft de ex-echtgenoot een eigen recht op uitbetaling tegenover het pensioenfonds. Er is dan geen aftrekpost en dus ook geen tariefmaatregel. Het hof ziet daarin strijd met het discriminatieverbod. Beide regimes verdelen pensioenrechten tussen scheidende echtgenoten en berusten op de verzorgingsgedachte. Een rechtvaardiging voor het verschil ziet het hof niet. Het hof laat de tariefmaatregel buiten toepassing, waarna de staatssecretaris in cassatie gaat.

Geen gelijke gevallen

De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de vraag of gevallen gelijk zijn. Beslissend is het doel van de tariefmaatregel en dat richt zich op aftrekposten. Onder de Wet VPS heeft de pensioengerechtigde voor het verevende deel geen aftrekpost. Dat deel hoort niet tot zijn belastbare inkomen. Ook vanuit het stelsel van de wet zijn de gevallen dus niet gelijk.

Verzorging telt niet

Dat beide regimes de verzorging van de ex-echtgenoot vooropstellen, verandert dat niet. Het gaat hier om de aftrek bij degene die doorbetaalt, niet om de fiscale positie van de ontvanger. Ten overvloede oordeelt de Hoge Raad dat hetzelfde ook geldt voor wie na 1 mei 1995 gescheiden is, maar bij uitzondering niet verevent. De uitspraak van de rechtbank blijft staan. 

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1488 | 17-09-2026

Zelfstandigenwet biedt meer duidelijkheid voor zzp’ers

De Zelfstandigenwet, die naar verwachting in januari 2028 in werking treedt, heeft als doel om meer duidelijkheid te scheppen over de samenwerking tussen zelfstandigen en opdrachtgevers. De wet wil schijnzelfstandigheid tegengaan en zelfstandigen de erkenning geven die zij verdienen. Dit gebeurt door middel van twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Wie aan beide toetsen voldoet én in de praktijk zo werkt, weet vooraf dat hij of zij als zelfstandige kan werken. In de woorden van de wet heet dit ‘een veilige haven’. Wie niet aan beide toetsen voldoet, moet op basis van de huidige criteria bepalen of hij of zij als zelfstandige werkzaam is.

Zelfstandigentoets

De zelfstandigentoets richt zich op de ondernemer zelf en diens ondernemerschap in het economisch verkeer. Er zijn drie criteria:

  1. De werkende moet in de periode tot en met het vorige kalenderjaar minimaal drie opdrachtgevers hebben gehad.
  2. Er moet een minimumbedrag zijn besteed aan voorzieningen voor ondernemersrisico's, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering of pensioenvoorziening. 
  3. De werkende moet de basisvoorwaarden op orde hebben, zoals een KVK-inschrijving, een zakelijke bankrekening, een btw-identificatienummer en zelf factureren. 

Werkrelatietoets

De werkrelatietoets beoordeelt de specifieke arbeidsrelatie en kijkt of er voldoende zelfstandig wordt gewerkt, zonder 'gezag'. De vier criteria zijn: 

  1. De wil van de partijen om niet in dienstverband te werken.
  2. De vrijheid om het werk zelf te organiseren.
  3. De vrijheid om de werktijden en werkplek te bepalen. Op dit criterium zijn uitzonderingen voor plaatsgebonden werk en voor tijdsgebonden werk.
  4. Het werken voor eigen rekening en risico.

Hierbij is de feitelijke uitvoering van de overeenkomst leidend, niet wat op papier is afgesproken. Aan alle criteria moet worden voldaan. Er is geen rangorde. 

Internetconsultatie

De Zelfstandigenwet is nu in internetconsultatie. Reageren op het conceptwetsvoorstel kan tot en met 29 oktober 2026 op www.internetconsultatie.nl.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetsvoorstel | 28905 | 01-10-2026

Kabinet presenteert fiscale wijzigingen box 3, koopkracht en sociale zekerheid

Het kabinet heeft een aangepast begrotingsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd. De voorstellen omvatten aanpassingen in box 3, box 2 en de sociale zekerheid.

Vermogenswinstbelasting

Het kabinet kiest voor een structurele oplossing in box 3 door over te stappen op een vermogenswinstbelasting, waarbij winst wordt belast bij uitkering in plaats van op papier. Dit moet het belastingstelsel beter laten aansluiten bij de economische werkelijkheid.

  • Vanaf 2027: Het heffingsvrije vermogen in box 3 wordt teruggebracht naar het niveau van 2020, namelijk € 30.846. Ook wordt het forfait voor overige bezittingen, inclusief huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken, met 1,5 procentpunt verhoogd.
  • Vanaf 2028: De vermogenswinstbelasting wordt uitgebreid naar alle financiële instrumenten, zoals aandelen, obligaties en opties. Dit betekent dat voor ongeveer 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 een vermogenswinstbelasting geldt. Vanaf dit jaar geldt ook een heffingsvrij resultaat van € 1.000.
  • Vanaf 2030: De overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen.

Ter dekking van deze voorstellen wordt het hoge tarief in box 2 vanaf 2027 tijdelijk verlaagd naar 29,2% voor vier jaar. Dit moet ondernemers stimuleren om meer winst uit hun bedrijf op te nemen. Daarnaast wordt de mogelijkheid om uit een eigen bv te lenen in vijf stappen van € 80.000 beperkt van € 500.000 naar € 100.000, met uitzondering van leningen voor een eigen woning.

Koopkracht en sociale zekerheid

Om de koopkracht te stimuleren en werken meer te laten lonen, neemt het kabinet aanvullende maatregelen. De arbeidskorting wordt minder verhoogd, namelijk met € 133 in plaats van € 173. De inkomensgrens voor het toptarief wordt verhoogd van € 78.426 naar € 80.578. Wat betreft de sociale zekerheid zijn de eerder voorgenomen bezuinigingen op arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkeringen voor dit jaar van tafel. Het kabinet wil met werkgevers en vakbonden een sociaal akkoord sluiten over hervormingen van deze uitkeringen.

Overige voorstellen
Andere voorstellen en gespreksthema's zijn onder meer:

  • Verlaging van de accijns op benzine en diesel in 2027 en 2028 met in totaal € 2,1 miljard.
  • Verlaging van de vliegbelasting.
  • Extra investeringen in (regionale) infrastructuur.
  • Een fiscale investeringsreserve voor de agrarische sector.
  • Tijdelijke verlaging van de vrachtwagenheffing en motorrijtuigenbelasting voor bestelauto's.
  • Gesprekken met de oppositie over medisch-ethische vraagstukken, migratie, het stikstofpakket en zorgfraude.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 29-09-2026