Eindejaarstips personeel

Wtta voor het uitlenen van personeel

Vanaf 2027 is een nieuw toelatingsstelsel voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) van kracht. Dit is geregeld in de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta). Uitleners zijn bedrijven die tegen vergoeding werknemers ter beschikking stellen om onder toezicht en leiding van een ander werk te verrichten. Hieronder vallen onder meer uitzendbureaus, detacheerders, payrollbedrijven en bedrijven die incidenteel personeel uitlenen. Collegiale uitleen, waarbij geen winst wordt gemaakt, valt niet onder het toelatingsstelsel. Hetzelfde geldt voor in- en uitleen binnen concernverband. Daarnaast geldt de Wtta voor inleners, oftewel bedrijven die personeel inhuren.

Let op! Een bv die haar dga uitleent aan een andere onderneming kan ook onder het toelatingsstelsel vallen.

Van 1 november 2026 tot en met 31 december 2026 kunnen uitleners zich aanmelden voor de overgangsregeling. De overgangsregeling is bedoeld voor bestaande uitleners. Zij mogen werknemers blijven uitlenen terwijl de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) hun aanvraag voor toelating of ontheffing beoordeelt. Dit geldt ook als de NAU op 1 januari 2028 nog geen besluit heeft genomen over de aanvraag. Uitleners kunnen van 1 mei 2027 tot en met 30 juni 2027 toelating aanvragen bij de NAU. Vanaf 1 januari 2028 start de Nederlandse Arbeidsinspectie met handhaven op de naleving van de toelatingsplicht.

Reiskostenvergoeding

De gerichte vrijstelling voor reiskosten is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. In navolging van deze verhoging worden ook het forfait voor aftrekbare reiskosten voor IB-ondernemers en resultaatgenieters en het forfait voor reiskosten bij specifieke zorgkosten bij ziekenbezoek, weekenduitgaven voor gehandicapten en het forfait voor de giftenaftrek voor de situatie waarin een vrijwilliger afziet van een reiskostenvergoeding verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer.

Werkkostenregeling

Vrije ruimte
Uitgangspunt van de werkkostenregeling (WKR) is dat alle vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers loon vormen, ook als het gaat om kosten die 100% zakelijk zijn. Er is een vrije ruimte waarbinnen vergoedingen en verstrekkingen belastingvrij gegeven kunnen worden. De vrije ruimte bedraagt in 2026 2% over de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom en 1,18% over het meerdere. In 2027 stijgt de vrije ruimte naar 2,16% van de eerste € 400.000. Benut waar mogelijk de resterende vrije ruimte van 2026, bijvoorbeeld voor een kerstpakket voor de medewerkers.

Personeelskorting
Vanaf 1 januari 2027 vervalt de aparte gerichte vrijstelling voor werkgevers die hun werknemers korting verlenen op eigen producten. De korting die aan de werknemer wordt gegeven, wordt dan gezien als regulier loon waarover belasting moet worden betaald. Werkgevers kunnen ervoor kiezen de korting ten laste te brengen van de vrije ruimte. Omdat personeelskorting in veel sectoren (zoals de retail, horeca en reisbranche) is vastgelegd in de cao, kunnen werkgevers de korting niet zomaar afschaffen. Zij moeten de korting dus vergoeden via de WKR of bruto verrekenen met het salaris. In 2026 kunnen werkgevers nog een korting geven op producten uit het eigen bedrijf tot een bedrag van ten hoogste 20%, maar niet meer dan € 500 per werknemer.

Minimumjeugdloon omhoog

Voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar gaat vanaf 1 januari 2027 het percentage van het minimumuurloon omhoog. Het minimumjeugdloon voor studenten in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het middelbaar beroepsonderwijs wordt gelijkgetrokken met het reguliere minimumjeugdloon.

Leeftijd 2026 2027 Bedrag
21 jaar 100% 100% € 15,29
20 jaar 80% 87,5% € 13,38
19 jaar 60% 75% € 11,47
18 jaar 50% 62,5% € 9,56
17 jaar 39,5% 50% € 7,65
16 jaar 34,5% 40% € 6,12
15 jaar 30% 30% € 4,59

Bijtelling

Voor het privégebruik van een auto van de zaak moet een bijtelling bij het loon van de werknemer worden gedaan. De standaardbijtelling bedraagt 22% van de catalogusprijs van de auto. Voor een in 2026 aangeschafte nieuwe elektrische auto bedraagt de bijtelling 18% over de eerste € 30.000 van de catalogusprijs. Voor het meerdere geldt de reguliere bijtelling van 22%. Deze bijtellingspercentages gelden voor in het kalenderjaar nieuw aangeschafte auto’s en gelden gedurende 60 maanden. Vanaf 2027 bedraagt de bijtelling 20% over de eerste € 30.000 van de catalogusprijs. Voor het meerdere geldt de reguliere bijtelling van 22%. Voor auto’s van voor 2017 bedraagt de standaardbijtelling niet 22 maar 25%.

Youngtimer
Werknemers die een oudere zakelijke auto (youngtimer) rijden betalen een bijtelling van 35% over de dagwaarde van de auto in plaats van 22% bijtelling over de nieuwprijs. Dit resulteert vaak in een aanzienlijk lager bijtellingsbedrag, aangezien de dagwaarde doorgaans lager is dan de oorspronkelijke cataloguswaarde. Vanaf 1 januari 2027 geldt de youngtimerregeling voor auto’s vanaf 17 jaar (in 2026 was dat vanaf 16 jaar en in de jaren daarvoor 15 jaar). Vanaf 1 januari 2028 geldt de regeling voor auto’s vanaf 20 jaar. Dat leidt dus tot het wegvallen van de youngtimerregeling voor auto’s die in 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar hebben overschreden. De eerdere verhoging van de leeftijd naar 25 jaar gaat niet door.

Fiets
Als een werknemer een fiets ter beschikking heeft gekregen van zijn werkgever, dan moet voor het privégebruik van de fiets een bijtelling bij het loon plaatsvinden. Er geldt een forfaitaire bijtelling van 7% van de cataloguswaarde van de fiets op jaarbasis. De regeling geldt voor gewone fietsen, e-bikes en speedpedelecs, ongeacht of de werknemer de fiets daadwerkelijk privé gebruikt. 

Tip! Als de fiets niet of hooguit incidenteel (minder dan 10%) bij de woning van de werknemer wordt gestald, bedraagt de bijtelling nihil (met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020).

Start-ups en scale-ups

Start-ups en scale-ups hebben vaak niet de financiële middelen om werknemers een (internationaal) concurrerend salaris te bieden. Aandelenopties, internationaal de meest gebruikte vorm van participatie in de start-upsector, kunnen mogelijk een deel van dit gat dichten. Het biedt meer mogelijkheden om talent dat in een start-up of scale-up wil werken over te halen een lager salaris te accepteren in ruil voor het delen in de potentiële groei. Het verkrijgen van aandelen zorgt ervoor dat medewerkers meer gebonden zijn aan het bedrijf en minder snel weer vertrekken.

Vanaf 2027 geldt een lagere loonheffing op het inkomen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups. De vrijstelling van deze aandelen in box 3 moet per 1 januari 2028 ingaan. De voorgestelde lagere heffing is zo vormgegeven, dat de grondslag van het inkomen uit aandelenoptierechten wordt versmald tot 65%. Daardoor is het effectieve tarief ongeveer gelijk aan wat de heffing zou zijn als de aandelenoptierechten in box 2 zouden zijn belast. Deze maatregel wordt toegepast op aandelenopties die zijn uitgegeven sinds de bekendmaking van de fiscale regeling in de Voorjaarsnota van 2025, mits zij de loonsfeer nog niet hebben verlaten. Voorwaarde voor toepassing van de regeling is dat het aandelenoptierecht of de bij uitoefening daarvan verkregen aandelen niet binnen twee jaar na toekenning mogen worden vervreemd. Deze voorwaarde geldt niet bij een eerdere verkoop of beursgang van de onderneming, omdat een werknemer in die situatie veelal gedwongen is zijn aandelen en optierechten te verkopen.

Versobering ETK en 30%-regeling

Voor werkgevers bestaat de mogelijkheid om werknemers de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking onbelast te vergoeden. Voor de onbelaste vergoeding van deze kosten zijn er twee regelingen: een forfaitaire regeling (de expat- of 30%-regeling) en een regeling op basis van de werkelijke extraterritoriale kosten (de ETK-regeling). Sinds 1 januari 2026 kunnen de volgende werkelijke kosten niet langer onbelast worden vergoed:

  • extra kosten van levensonderhoud (maaltijden, gas, water, licht, etc.);
  • extra gesprekskosten met het land van herkomst.

De expatregeling blijft grotendeels onaangetast, behalve de eerder aangekondigde verlaging van het forfaitaire percentage van 30 naar 27 per 1 januari 2027. Ook gaat vanaf 1 januari 2027 een hogere salarisnorm gelden om in aanmerking te komen voor de 27%-regeling. De salarisnormen zijn dan € 53.887 voor reguliere werknemers en € 40.961 voor werknemers jonger dan 30 jaar met een kwalificerende masteropleiding. Werknemers die de expatregeling al vóór 1 januari 2025 toepasten, behouden de "oude" (huidige) salarisnormen van respectievelijk € 49.262 en € 37.446.

Bron: Ministerie van Financiën | wetswijziging | 03-11-2026

Eindejaarstips voor ondernemingen

Afbouw Ondernemersaftrek

Zelfstandigenaftrek
Ondernemers, die voldoen aan het urencriterium, hebben recht op de zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek is niet hoger dan het bedrag van de winst vóór ondernemersaftrek. Sinds 2021 wordt de zelfstandigenaftrek stapsgewijs teruggebracht, naar € 900 in 2027. In 2026 is de aftrek € 1.200. AOW-gerechtigden hebben recht op 50% hiervan.

Startersaftrek 
De startersaftrek is een regeling waardoor een ondernemer, die minder dan vijf jaar ondernemer is (starter), onder voorwaarden maximaal drie jaar recht heeft op een extra aftrekpost van maximaal € 2.123. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd tot € 10 en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. In het verlengde hiervan wordt in 2028 ook de regeling willekeurige afschrijving voor starters afgeschaft.

Stakings- en meewerkaftrek
De stakings- en meewerkaftrek worden in 2027 met 75% versoberd en per 2030 afgeschaft. De stakingsaftrek bedraagt op dit moment € 3.630. Dat wordt € 908 in 2027. De hoogte van de meewerkaftrek is gekoppeld aan het aantal door de partner gewerkte uren.

Pseudo-eindheffing fossiele auto

Werkgevers, die een auto van de zaak beschikbaar stellen aan werknemers, krijgen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (pefa). De pseudo-eindheffing geldt alleen voor personenauto’s met CO₂-uitstoot, zoals benzine-, diesel- en hybride auto's. Elektrische auto’s zijn uitgezonderd. Ook motoren en bestelauto’s vallen buiten de regeling. De heffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde, ongeacht het daadwerkelijke privégebruik. Woon-werkverkeer telt dus ook mee. Voor elke maand waarin de auto ten minste één dag ter beschikking is gesteld, is de pseudo-eindheffing voor die gehele maand (1/12e) verschuldigd. Werkgevers mogen de kosten voor deze eindheffing niet verhalen op de werknemers. Voor auto’s ouder dan 25 jaar wordt gekeken naar de waarde in het economisch verkeer. Een voorwaarde voor toepassing van de regel is dat sprake is van een werkgever-werknemerrelatie. In de praktijk betekent dit dat ook dga’s met een auto op de balans onder deze regeling kunnen vallen. De maatregel geldt niet voor de auto van de IB-ondernemer.

De pefa is niet van toepassing op een vervangende fossiele personenauto die een werknemer privé gebruikt vanwege onderhoud of reparatie van de vaste auto. Deze uitzondering geldt als de vervangingsperiode maximaal veertien dagen per onderhouds- of reparatieperiode duurt. Een bandenwissel of schadeherstel valt hier ook onder. Ook auto’s met handgeschakelde transmissie, die worden gebruikt voor rijles, worden uitgezonderd van de pefa.

Het overgangsrecht, waardoor de pefa niet geldt voor auto’s die vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking zijn gesteld, wordt verlengd tot en met 31 december 2030 (was 16 september).

Belastingrente

De belastingrente is per 1 januari 2026 weliswaar gedaald, maar blijft hoog. Het rentetarief bedraagt nu 5%. Door een uitspraak van de Hoge Raad geldt dit tarief voor alle belastingen. Een juiste voorlopige aanslag kan voorkomen dat de rente op de definitieve aanslag oploopt. Belastingrente wordt bij de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting berekend wanneer de aanslag op of na 1 juli van het volgende jaar wordt opgelegd. De Belastingdienst berekent geen rente als de aangifte inkomstenbelasting 2026 voor 1 mei 2027 binnen is en zij de gegevens uit de aangifte ongewijzigd overnemen. Voor de aangifte vennootschapsbelasting 2026 is dat 1 juni 2027. Ondernemers kunnen belastingrente ook voorkomen door voor 1 mei om een (aanvullende) voorlopige aanslag te verzoeken.

Plan (des)investeringen

KIA
Ondernemers hebben recht op de investeringsaftrek voor kleinschalige investeringen (KIA). Er gelden wel een aantal voorwaarden, waaronder een minimum investeringsbedrag. Dit bedrag is voor 2026 bepaald op € 2.900. De KIA geldt alleen voor investeringsgoederen waarop moet worden afgeschreven. Dit betekent dat het bedrijfsmiddel minstens € 450 moet kosten. Soms kunnen meerdere kleine investeringen samen een bedrijfsmiddel vormen. Bijvoorbeeld een computer van € 350 met een beeldscherm van € 150, een muis van € 15 en een toetsenbord van € 25 vormen samen één bedrijfsmiddel van € 540. 

Spreiden of eerder investeren
Het percentage aan aftrek is het hoogst als het totaal aan verplichtingen ligt tussen € 2.900 en € 71.683 (namelijk: 28%). Tussen € 71.683 en € 132.746 is de KIA een vast bedrag van € 20.072. In 2027 geldt een vast bedrag van € 20.322 bij een investeringsbedrag tussen € 72.578 en € 134.402. Daarboven wordt de KIA afgebouwd met 7,56% van het deel van het investeringsbedrag dat boven deze grens zit. Het plannen en, waar mogelijk, het spreiden van investeringsverplichtingen loont vaak de moeite. Als het bedrag aan investeringen dit jaar net onder de minimumgrens van € 2.900 zit, dan kan het lonen een voorgenomen investering iets te vervroegen. Het kan zomaar 28% KIA opleveren over het totaal aan investeringsverplichtingen. Om de investeringsaftrek ook daadwerkelijk in de aangifte 2026 mee te kunnen nemen, moet het bedrijfsmiddel in gebruik genomen zijn in 2026 of er moet voldoende aanbetaald zijn. 

Let op! Betaal in ieder geval 25% van een nog niet in gebruik genomen investering binnen twaalf maanden na het aangaan van de verplichting tot aankoop van het bedrijfsmiddel. Anders is er sprake van een (fictieve) desinvestering en moet de desinvesteringsbijtelling worden toegepast.

Desinvesteringsbijtelling
Is er in de afgelopen vijf jaar (dus tussen 2022 en 2026) gebruikgemaakt van de investeringsaftrek en wordt het bedrijfsmiddel nu verkocht of ingeruild? Dan kan de desinvesteringsbijtelling van toepassing zijn. In dat geval moet een deel van de aftrek worden terugbetaald. Houd hier rekening mee.

Tip! Stel de desinvestering (als dat mogelijk is) uit tot na de vijfjaarstermijn.

Horizonbepaling EIA, MIA en Vamil
In de wet is een horizonbepaling opgenomen met betrekking tot de Energie-investeringsaftrek (EIA), de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (Vamil). Een horizonbepaling betekent dat een regeling eindig is. Zonder expliciete besluitvorming te zijner tijd vervallen de EIA, MIA en Vamil per 1 januari 2029. Het aftrekpercentage van de EIA stijgt per 1 januari 2027 van 40 naar 45,5. Het budget voor 2027 bedraagt € 454 miljoen. Voor de MIA blijft de aftrek 40%, maar wordt het budget verruimd. Voor 2027 is € 160 miljoen beschikbaar (2026: € 135 miljoen).

Bron: Ministerie van Financiën | wetswijziging | 03-11-2026

Eindejaarstips privé

Jaarruimte benutten

Premies voor lijfrentevoorzieningen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. De premies zijn aftrekbaar voor mensen die op 1 januari niet meer dan vijf jaar ouder zijn dan de AOW-leeftijd. De aftrek is begrensd op 30% van de premiegrondslag. De premiegrondslag is het totaal van de winst uit onderneming, het resultaat uit werkzaamheden, het loon uit dienstbetrekking en de ontvangen periodieke uitkeringen en verstrekkingen in het vorige jaar. De premiegrondslag bedraagt maximaal € 137.800, verminderd met een bedrag van € 19.172 (2027: € 19.845).

De aftrekbare premie (jaarruimte) bedraagt maximaal € 35.589 (2027: € 35.387). De jaarruimte wordt verminderd met de opbouw van pensioenaanspraken. Wie in de voorgaande tien jaren de jaarruimte niet of niet geheel heeft benut, kan gebruikmaken van een aanvullende aftrek. Deze zogenoemde reserveringsruimte bedraagt maximaal € 42.753 (2027: € 43.287).

Voor tijdelijke oudedagslijfrenten geldt als voorwaarde voor aftrekbaarheid van de premie dat het bedrag van de jaarlijkse uitkering niet hoger mag zijn dan € 27.192 (2027: € 27.532). De uitkeringen mogen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt en niet later dan vijf jaar na dat tijdstip.

Vermogen overhevelen naar de (klein)kinderen?

Als iemand overlijdt, gaat zijn vermogen naar zijn erfgenamen. De erfgenamen moeten over hun aandeel in de nalatenschap erfbelasting betalen. Zonder testament is in veel gevallen de wettelijke verdeling van toepassing. De langstlevende partner verkrijgt de goederen van de nalatenschap en neemt de schulden voor zijn of haar rekening. De kinderen krijgen ieder een geldvordering op de langstlevende ter grootte van hun erfdeel. Voor de partner geldt een hoge vrijstelling van € 828.035 (2027: € 849.564). 

Let op! Deze vrijstelling wordt verminderd met de waarde van de aan de partner toekomende vrijgestelde pensioenaanspraken. De vrijstelling voor de kinderen is beperkt tot € 26.230 (2027: € 26.912). 

De wettelijke regeling kan goed uitpakken, maar een testament kan helpen om bij overlijden belasting te besparen. Soms wordt gekozen voor het verschuiven van erfbelasting in plaats van besparen van erfbelasting. Een mogelijke reden hiervoor is dat het geld vastzit, bijvoorbeeld in een huis of in beleggingen. Het kan fiscaal gunstig zijn om ook de kleinkinderen te laten erven, bijvoorbeeld door voor hen legaten op te nemen in het testament. Een kleinkind kan van zijn grootouders een bedrag van € 26.230 (2027: € 26.912) belastingvrij erven.

Tip! Laat regelmatig controleren of het testament nog actueel is en past bij de huidige situatie. Geen testament? Overweeg dan om er een op te laten stellen.

Gebruik de schenkingsvrijstellingen
Door tijdens het leven (een deel van) het vermogen vrijgesteld te schenken aan kinderen, kan de toekomstige heffing van erfbelasting worden beperkt. Naast de jaarlijkse vrijstelling voor een schenking van ouders aan een kind van € 6.908 (2027: € 7.088), bestaat er voor kinderen tussen 18 en 40 jaar eenmalig een verhoogde vrijstelling van € 33.129 (2027: € 33.991). Voor schenkingen aan kleinkinderen geldt een vrijstelling van € 2.769 (2027: € 2.841).

Schenken op papier
Een schenking op papier houdt in dat een schenker geen geld overdraagt, maar verklaart een bepaald bedrag schuldig te zijn aan de ontvanger. Hierdoor ontstaat een schuld voor de schenker en een vordering voor de ontvanger van de schenking. De schenking vermindert de nalatenschap als daarvan een notariële akte is opgemaakt en elk jaar daadwerkelijk minimaal 6% rente wordt betaald aan de ontvanger. In de schenkingsakte wordt vastgelegd dat de vordering pas opeisbaar is bij het overlijden van de schenker. Dit heeft als voordeel dat er dan minder erfbelasting verschuldigd is. Als de schenking op papier tijdens het leven wordt uitbetaald, bijvoorbeeld na verkoop van het huis, dan is een notariële akte niet per se nodig.

Groen beleggen

Groen beleggen krijgt in box 3 nu nog een vrijstelling en heffingskorting. In 2026 bedraagt de vrijstelling maximaal € 26.715 (partners € 53.430) en de heffingskorting 0,1% daarvan. Deze voordelen voor groen beleggen zouden per 2027 volledig verdwijnen. De Belastingdienst gaf echter aan dat dit technisch niet uitvoerbaar is. Daarom is de vrijstelling in 2027 verlaagd tot € 200 (partners € 400). De heffingskorting blijft bestaan, maar is door de lage vrijstelling verwaarloosbaar. Per 2028 verdwijnen de vrijstelling en de heffingskorting voor groene beleggingen volledig.

Bron: Ministerie van Financiën | wetswijziging | 03-11-2026