Navordering deels vernietigd na te late aanslag

De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Bij uitstel voor het doen van aangifte wordt deze termijn verlengd met het verleende uitstel. De inspecteur stelt dat hij een navorderingsaanslag voor 2011 tijdig heeft opgelegd, vanwege dertien maanden uitstel via de Becon-regeling. De inspecteur kan echter geen stukken tonen die dit uitstel onderbouwen. Een collega bevestigt bovendien dat het systeem geen Becon-uitstel voor 2011 registreert. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar uitstel is verleend. De navorderingsaanslag voor 2011 is daarom buiten de navorderingstermijn van vijf jaar opgelegd en wordt vernietigd.

Wel navordering over 2012 en 2013

Een man exploiteert in maatschapsverband een motortankschip. De man is de kapitein en de andere maat verzorgt de administratie. Het schip vervoert plantaardige oliën, waarbij 'slops' ontstaan met een waardevolle oliecomponent. In 2011 start een strafrechtelijk onderzoek, 'Flip' genaamd, naar de verduistering van plantaardige olie door schippers, aangeboden als slops aan een vethandel. De man is tot zijn overlijden verdachte in dit onderzoek.

Contante betalingen

De Belastingdienst onderzoekt de administratie van de vethandel en stelt vast dat de vethandel inkoopfacturen op naam van het schip opmaakt voor contante betalingen aan de schippers voor geleverde slops. De jaarrekeningen van de maatschap vermelden geen opbrengsten uit slops. De inspecteur stelt dat de man de contante betalingen niet heeft opgenomen in zijn aangiften. De man reageert dat hij geen administratie heeft, omdat de andere maat die voerde. De maat verklaart dat de man buiten het zicht van de maatschap om ontvangsten had en dat er geen inkomsten uit slops op de bankrekening van de maatschap zijn ontvangen.

Administratie 

De erven van de man stellen dat hij de contante betalingen nooit heeft ontvangen en dat de administratie van de vethandel geen overtuigend bewijs levert. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de man de contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van de vethandel overgelegd, waaronder inkoopfacturen, begeleidingsbrieven en weegbrugstempels, die met elkaar overeenkomen en de beschreven werkwijze bevestigen. Ook kalenders en kladkasboeken van de vethandel ondersteunen de facturenstroom. De rechtbank acht het verder van belang dat de maatschap geen ontvangsten voor slops heeft verantwoord in de jaarrekeningen en dat de partner die de administratie voerde dit heeft bevestigd. De stellingen van de erven zijn niet onderbouwd met bewijs. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd en niet te hoog.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:5608 | 21-06-2026

Eigen handtekening onder inkeermelding bewijst opzet

Een vrouw ondertekent samen met haar echtgenoot een inkeermelding voor buitenlands vermogen van ruim twee miljoen euro. Jaren later stelt zij dat haar echtgenoot haar tot eind 2017 onwetend heeft gehouden over dat vermogen. Zij zou daarom geen opzet hebben gehad bij het doen van onjuiste aangiften. De rechtbank acht die verklaring volstrekt ongeloofwaardig. De inkeermelding spreekt immers van 'wij' en 'ons' en is door haarzelf ondertekend.

Van Luxemburg naar Hongkong

De vrouw drijft samen met haar echtgenoot een onderneming in vof-verband. De echtgenoot heeft in het verleden bij de Belastingdienst gewerkt. Het echtpaar houdt een effectenrekening aan in Luxemburg met een saldo van rond de twee miljoen euro. In 2013 heffen zij de rekening op en boeken het saldo over naar Hongkong. De nieuwe rekening wordt op naam van hun zoon gezet, omdat hij regelmatig in Hongkong moet zijn voor zijn werk. Op 29 december 2017 sturen de vrouw, haar echtgenoot en hun zoon gezamenlijk een inkeermelding naar de Belastingdienst. In de e-mail schrijven zij dat zij willen inkeren 'van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3'. De drie ondertekenen de melding persoonlijk.

Navorderingsaanslagen en boetes

De inspecteur legt navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op over de jaren 2009 tot en met 2014. Op verzoek van het echtpaar worden deze uitsluitend aan de vrouw opgelegd. Bij de aanslagen over 2012 tot en met 2014 horen vergrijpboetes van 120% wegens opzet. Die boetes zijn al gematigd vanwege de vrijwillige inkeer. Zonder inkeer had 300% kunnen worden opgelegd. De vrouw maakt bezwaar. Zij stelt dat zij niet wist van het buitenlandse vermogen en dat haar echtgenoot haar bewust onwetend heeft gehouden. Daarom zou zij geen opzet hebben gehad.

Inkeermelding als bewijs

De rechtbank maakt korte metten met dit verweer. Uit de inkeermelding blijkt dat de vrouw in elk geval in 2013 wist van de Luxemburgse rekening, omdat zij die rekening toen samen met haar echtgenoot heeft opgeheven. De aangiften over 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend ná die opheffing. De vrouw wist dus van het vermogen, maar vermeldde het niet. De inkeermelding spreekt consequent van 'wij' en 'ons' en is door haarzelf mede ondertekend. De andersluidende verklaring van de echtgenoot, dat zij pas eind 2017 zou zijn ingelicht, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5070 | 25-06-2026

Wet excessief lenen doorstaat eerste toets

Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van € 700.000 wordt belast als fictief regulier voordeel. De dga vindt dit in strijd met het Europese eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Waarom telt een zakelijke lening even zwaar als een onzakelijke lening? Rechtbank Den Haag verwerpt alle bezwaren. De wetgever mocht kiezen voor een eenvoudige regeling die alle leningen gelijk behandelt.

Schuld groeit snel

De dga houdt alle aandelen in een bv. Zijn rekening-courantschuld aan de vennootschap groeit van ruim € 5.000 in 2017 naar bijna € 600.000 eind 2022. In 2023 loopt de schuld verder op tot € 786.278. Per 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen in werking getreden. Die wet bepaalt dat schulden aan de eigen bv boven de drempel van € 700.000 worden belast als fictief regulier voordeel in box 2. Het bovenmatige deel bedraagt € 86.278. Na verdeling met zijn fiscale partner wordt € 75.127 bij de dga belast tegen het aanmerkelijkbelangtarief.

Beroep op grondrechten

De dga stelt dat de heffing in strijd is met het Europese eigendomsrecht. Hij voert aan dat de wetgever ten onrechte geen onderscheid maakt tussen zakelijke en onzakelijke leningen. Een lening met zakelijke voorwaarden en zekerheden zou anders behandeld moeten worden dan een informele schuld zonder aflossingsschema. Daarnaast vindt de dga de heffing disproportioneel, omdat deze een radicale wijziging vormt die zonder overgangsrecht is ingevoerd. Tot slot beroept hij zich op het discriminatieverbod en stelt hij dat de heffing het draagkrachtbeginsel schendt.

Beschikking over gelden is doorslaggevend

De rechtbank verwerpt alle stellingen. De heffing heeft een wettelijke basis, dient een legitiem doel en respecteert de vereiste balans tussen individueel en algemeen belang. Het doel van de wet is om uitstel en afstel van belastingheffing door dga's tegen te gaan. Daarbij is doorslaggevend dat de dga op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Of de lening zakelijk of onzakelijk is, doet er niet toe. De wetgever heeft bewust gekozen voor een eenvoudige regeling waarin alle leningen, behalve de eigenwoningschuld, gelijk worden behandeld. Die keuze is niet onredelijk.

Vijf jaar anticipatietijd

De rechtbank oordeelt verder dat de heffing niet disproportioneel is. De wetgever heeft de maatregel al in september 2018 aangekondigd, zodat dga's ruim vijf jaar de tijd hadden om hun schuldpositie af te bouwen. Bovendien kan een dga die later aflost het eerder belaste bedrag verrekenen als een negatief regulier voordeel en is de drempel € 200.000 hoger vastgesteld dan oorspronkelijk beoogd. Bij deze dga speelt terugwerkende kracht bovendien niet. Zijn schuld steeg pas in 2023 boven de drempel. Het beroep is ongegrond.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:18507 | 01-07-2026