Geen arbeidskorting bij ZW-uitkering na beëindigde dienstbetrekking

Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als arbeidsinkomen als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd. De wet maakt nu dus onderscheid tussen zieke werknemers met een lopende dienstbetrekking en zieke personen zonder dienstbetrekking. Voor de laatste groep, waaronder mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte is beëindigd, telt de ZW-uitkering niet langer mee voor de arbeidskorting.

Arbeidskorting terugbetalen 

Een man trad in 1992 in dienst bij zijn inmiddels ex-werkgever. In april 2021 sluiten zij een vaststellingsovereenkomst, waarin zij overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In mei 2021 meldt de man zich ziek. Vanaf dat moment ontvangt de man een ZW-uitkering tot mei 2023. In zijn aangifte 2022 geeft de man deze inkomsten aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur stelt de aanslag echter vast op basis van inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de man geen recht heeft op arbeidskorting. 

Eigenrisicodrager 

De man maakt bezwaar. Volgens hem is er nog sprake van een dienstbetrekking. Hij voert aan dat een wettelijk ontslag niet kan ingaan tijdens een ziekteperiode. Tevens verwijst hij naar de loonspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven (2021-2023), waarin hij als 'werknemer' wordt aangeduid en waarop 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' staat vermeld. De inspecteur stelt dat de dienstbetrekking op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De ZW-uitkering wordt door de ex-werkgever als eigenrisicodrager uitgekeerd en niet in het kader van een lopende dienstbetrekking. 

Geen recht op arbeidskorting 

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De dienstbetrekking is per 1 september 2021 beëindigd via de vaststellingsovereenkomst. De man heeft geen bewijs geleverd dat deze overeenkomst ongeldig of herroepen is. De vermeldingen op de loonspecificaties en jaaropgaven, zoals 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' of 'werknemer', zijn niet doorslaggevend. De loonspecificatie vermeldt namelijk ook de functie 'ZW-uitkeringsgerechtigde'. De ex-werkgever ging uit van een dienstbetrekking tot 1 september 2021, maar niet daarna. De rechtbank merkt op dat de man bij herstel na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, aangezien de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Aangezien het hier niet gaat om een ZW-uitkering met een lopende dienstbetrekking, telt de uitkering niet mee als arbeidsinkomen. Hierdoor bestaat er geen recht op arbeidskorting.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5042 | 25-06-2026

Aftrek geweigerd omdat huurovereenkomst niet aan eisen voldoet

Een ondernemer huurt sinds 2016 een aantal bedrijfsruimtes in een pand. De verhuurder brengt btw in rekening op basis van een afspraak over belaste verhuur. Kort daarna begint de ondernemer delen van het pand door te verhuren aan derden. Bij deze onderverhuur wordt in de huurovereenkomsten expliciet opgenomen dat geen btw over de huur wordt gerekend. In 2017 adviseert een nieuwe accountant de ondernemer om toch btw te berekenen over de onderverhuur. De ondernemer laat zijn onderhuurders per e-mail weten dat vanaf 1 juli 2017 btw in rekening wordt gebracht. Deze aanpassing wordt echter niet vastgelegd in nieuwe huurovereenkomsten. 

Correcties

In 2021 start de Belastingdienst een boekenonderzoek naar de aangiften van de ondernemer over de periode 2016 tot en met 2018. Het onderzoek brengt verschillende tekortkomingen aan het licht, waaronder een verschil tussen aangiften en administratie (aansluitverschillen) en een onterechte aftrek van voorbelasting voor het pand. In 2022 stuurt de Belastingdienst naheffingsaanslagen over 2017 en 2018, met correcties voor deze punten.

Belaste verhuur en aftrekrecht

Voor belaste verhuur is vereist dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting bestaat. Ook moeten verhuurder en huurder dit schriftelijk zijn overeengekomen of gezamenlijk een verzoek hebben ingediend bij de inspecteur. De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomsten met de onderhuurders expliciet vermelden dat geen omzetbelasting in rekening wordt gebracht. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen voor belaste verhuur hebben gekozen of een gezamenlijk verzoek hebben ingediend.

Geen aftrek

Omdat de onderverhuur vrijgesteld is van omzetbelasting, gebruikt de ondernemer het pand niet voor prestaties waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Hierdoor kon de ondernemer het pand niet met een optie voor belaste verhuur huren van de bv. De ondernemer heeft daarom geen recht op aftrek van deze voorbelasting. De correcties van de inspecteur zijn terecht.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2025:16030 | 18-12-2025

Turboliquidatie biedt geen bescherming tegen navordering ab-heffing

Een vrouw houdt 20% van de certificaten in een holding. De werkmaatschappij wordt geturboliquideerd en de onderneming gaat over naar haar vader als eenmanszaak. Niemand geeft inkomen uit aanmerkelijkbelang aan. Jaren later legt de inspecteur navorderingsaanslagen op. De dochter stelt dat de turboliquidatie betekent dat er geen baten waren en dus geen ab-inkomen. De rechtbank verwerpt dit betoog.

Van bv naar eenmanszaak

Vader drijft zijn onderneming via een werkmaatschappij onder een holding, waarvan hij veertig certificaten heeft. In 1994 schenkt hij zestien certificaten aan zijn twee kinderen, elk acht. De dochter heeft daarmee 20% en dus een aanmerkelijk belang. Per 1 januari 2018 wil vader de onderneming voortzetten als eenmanszaak. De werkmaatschappij wordt ontbonden via turboliquidatie. Een snelle beëindiging zonder vereffening, mits er geen baten zijn. De boekhouder gaat uit van een geruisloze terugkeer, maar vraagt geen beschikking aan. In de aangiften inkomstenbelasting 2018 wordt geen ab-inkomen aangegeven, terwijl liquidatie normaal leidt tot een vervreemdingsvoordeel.

Vermogenssprong roept vragen op

De inspecteur legt in juni 2019 de aanslagen 2018 op conform de aangiften. In december 2019 meldt de werkmaatschappij in haar aangifte vennootschapsbelasting dat zij is ontbonden. Bij controle blijkt dat geen beschikking geruisloze terugkeer is aangevraagd en dat er een vordering van ruim twee ton op vader bestond. Die vertegenwoordigt waarde voor de certificaathouders. De inspecteur vennootschapsbelasting attendeert zijn collega van de inkomstenbelasting en in oktober 2023 volgen navorderingsaanslagen. De dochter en haar fiscaal partner moeten elk over € 22.246 aan ab-inkomen afrekenen.

Nieuw feit of ambtelijk verzuim?

De dochter betoogt primair dat de inspecteur niet mag navorderen. De ontbinding was immers geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en haar certificaathouderschap was bekend. Bovendien had de vermogenssprong van twee ton in de aangifte van vader, waar de schuld aan de bv verdween, de inspecteur moeten alarmeren. De rechtbank verwerpt beide stellingen. De aangifte vennootschapsbelasting waarin de ontbinding werd vermeld, is pas ingediend nadat de aanslagen inkomstenbelasting waren opgelegd. De vermogenssprong bij vader schept geen onderzoeksplicht voor de aangiften van de dochter. Er is dus een nieuw feit.

Turboliquidatie zonder baten?

Volgens de dochter betekent turboliquidatie dat er geen baten zijn en dus geen uitkering. De rechtbank maakt korte metten met dit betoog. Een turboliquidatie is slechts toegestaan als er geen baten meer zijn, maar dat betekent niet dat er ook daadwerkelijk geen baten waren. De vordering op vader wijst op waarde. Hoe die is verdwenen, blijft onduidelijk. De dochter levert geen bewijs. De gemachtigde geeft ter zitting toe dat het 'gegis' is hoe een en ander is afgewikkeld. De rechtbank volgt daarom de berekening van de inspecteur en handhaaft de navorderingsaanslagen.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:2181 | 01-06-2026