Vestiging tweede hypotheek is aanleiding voor aansprakelijkheid voor belastingschuld

Een holding en haar dga worden aansprakelijk gesteld voor een btw-schuld van een dochter-bv van de holding. De btw-schuld bedraagt ruim een miljoen euro. Zij bestrijden de aansprakelijkstelling met als standpunt dat de schuld zou zijn verjaard. Hoe oordeelt het hof?

Tweede hypotheek voor de holding

Een bv heeft een aantal panden gekocht voor de ontwikkeling van een vastgoedproject. De aankoop is gefinancierd met een hypothecaire lening van een bank. De gemeente wijzigt het bestemmingsplan, waardoor het project niet doorgaat en de waarde van de panden daalt. De bv lost vervolgens niet meer af op de schuld aan de bank. De bank is bereid het krediet voort te zetten op voorwaarde dat de bv een nieuwe eigenaar krijgt. De holding koopt de aandelen in de bv voor één euro en neemt een vordering van de oude aandeelhouder op de bv van € 1,5 miljoen over voor eveneens één euro. De holding wordt bestuurder van de bv. De bv vestigt een tweede hypotheek op de panden ten gunste van de holding. De bv gaf hiermee voor een extra kredietruimte van twee ton voor € 1,76 miljoen aan zekerheid. Na verkoop van de panden ontvangt de holding als tweede hypotheekhouder ruim een miljoen euro. De btw op de verkoop van bijna € 1,25 miljoen wordt niet afgedragen. De ontvanger van de Belastingdienst stelt de holding en haar dga aansprakelijk.

Beroep op verjaring

De holding en de dga stellen dat de belastingschuld is verjaard. Het dwangbevel dateert van april 2016 en gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar zou de verjaringstermijn van de belastingschuld in 2021 zijn verstreken. Dit is ruim voordat de ontvanger in 2024 een stuitingsbrief verstuurde. Volgens de ontvanger is de verjaring tussentijds gestuit doordat de bv de schuld heeft erkend. Het hof oordeelt dat de holding en de dga als de bestuurders van de bv de schuld meermaals hebben erkend.

Terecht aansprakelijk

Het hof oordeelt dat de holding en haar dga terecht aansprakelijk zijn gesteld voor de omzetbelastingschuld van de bv. De bv heeft haar andere schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, benadeeld door de vestiging van de tweede hypotheek. Ook is de vordering van de holding en haar dga daardoor aanzienlijk in waarde toegenomen. Het hof merkt dit aan als kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:671 | 10-03-2026

Ook na verliesverrekening kan de verdeling niet worden aangepast

Een man en een vrouw zijn fiscale partners van elkaar. De inspecteur legt in 2016 aanslagen inkomstenbelasting op voor het jaar 2015. In 2018 lijdt de vrouw een ondernemingsverlies. Dit verlies wordt in 2020 achterwaarts verrekend met haar inkomen uit werk en woning van 2015, waardoor haar aanslag wordt verminderd. 

Verzoek om herverdeling

De heffingskorting, die voor de verliesverrekening wel kon worden benut, kan de vrouw nu niet meer ten volle benutten. Daarom verzoeken de man en vrouw na de verliesverrekening in juli 2020 gezamenlijk om herverdeling van de grondslag sparen en beleggen voor 2015. De inspecteur wijst dit verzoek af. Herverdeling is niet meer mogelijk, omdat de aanslagen 2015 op het moment van het verzoek al onherroepelijk vaststaan. De rechtbank bevestigt dit standpunt.

Toch herverdeling?

Het hof is het hier in eerste instantie mee eens en stelt dat de wet helder is. Echter, het hof overweegt vervolgens dat de wetgever niet heeft voorzien dat achterwaartse verliesverrekening kan leiden tot onbenutte heffingskortingen en dat herverdeling dit effect niet kan wegnemen als de aanslag van de partner onherroepelijk is. Het hof acht het niet aannemelijk dat de wetgever dit gevolg heeft willen aanvaarden en vermindert de aanslag van de man.

Hoge Raad bevestigt onherroepelijkheid

De staatssecretaris stelt beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het middel van de staatssecretaris slaagt. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien en niet wil aanvaarden. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:913 | 11-06-2026

Personal training dga valt onder arbovrijstelling

Een bv krijgt een naheffingsaanslag loonheffingen met belastingrente en een verzuimboete opgelegd. De inspecteur corrigeert de kosten voor personal training en sportschoolabonnementen van de dga en zijn echtgenote. De dga vindt dat deze kosten onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De werkgever zorgt hiermee voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is volgens de wet.

Arbowet en gezagsverhouding

De dga is directeur en enig aandeelhouder van de bv en tevens de enige werknemer. De bv heeft een 51%-belang in een andere bv, waar de echtgenote van de dga in dienst is. De inspecteur stelt dat de dga een zelfstandige is en dat de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat er wel sprake is van een gezagsverhouding tussen de bv en de dga, waardoor de Arbowet van toepassing is. Het is niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding.

Gerichte vrijstelling en partner

De bv stelt dat de kosten voor personal training en het sportschoolabonnement van de dga onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De rechtbank volgt dit standpunt en merkt op dat het direct-verbandcriterium niet meer geldt. De vrijstelling is ruim, waardoor de kosten voor de dga als gerichte vrijstelling kunnen worden aangemerkt. De kosten voor de partner van de dga vallen hier echter niet onder, omdat zij geen werknemer van de bv is.

Werkplek

De inspecteur betwist ook dat de voorzieningen op de werkplek zijn verbruikt. De rechtbank stelt vast dat arbovoorzieningen ook buiten de werkplek onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen. Verder slaagt het standpunt van de inspecteur over de gebruikelijkheidstoets niet, omdat hij dit onvoldoende met data onderbouwt.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4935 | 03-07-2026